Voormalig minister Albert Ramdin zegt dat de komst van Mennonieten naar Suriname onder de vorige regering was bedoeld als een beperkt pilotproject. Volgens hem golden duidelijke voorwaarden voor verblijf, grondgebruik en landbouw, terwijl de huidige discussie draait om mogelijke overtredingen en ontbossing.
Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Albert Ramdin zegt dat het oorspronkelijke plan voor Mennonieten in Suriname niet was bedoeld als een permanente vestiging. Volgens hem ging het om een pilotproject met 50 families, samen ongeveer 300 personen, die onder voorwaarden toestemming zouden krijgen om zich in Suriname te vestigen en landbouwactiviteiten te ontwikkelen.
Ramdin stelt dat voor deze groep de benodigde documentatie moest worden voorbereid en ingediend bij het ministerie van Justitie en Politie. De legaliteit van het verblijf en de juridische vorm waarin de families in Suriname zouden opereren, maakten volgens hem deel uit van de voorwaarden. De toestemming betekende volgens zijn uitleg dus niet dat betrokkenen zonder verdere procedures konden wonen, werken of ondernemen. Aldus Ramdin in gesprek met ABC Suriname.
Ook voor het gebruik van grond golden volgens Ramdin beperkingen. De Mennonieten zouden uitsluitend bestaande landbouwgronden mogen aankopen en gebruiken. Het openkappen van bos was volgens hem niet toegestaan en de overheid zou geen grond beschikbaar stellen. Het economische uitgangspunt was dat ervaren landbouwers konden bijdragen aan een hogere productie en meer export vanuit Suriname.
Eerdere Key News berichtgeving over Mennonieten in Suriname
Die uitleg sluit op belangrijke punten aan bij wat Key News in oktober 2023 berichtte. Ramdin zei toen dat ongeveer 50 gezinnen toestemming hadden gekregen om voor drie jaar naar Suriname te komen. De regering zou geen landbouwgrond aan de groep geven. De betrokken families moesten zelf grond aanschaffen voor hun agrarische activiteiten.
In januari 2024 benadrukte toenmalig president Chandrikapersad Santokhi eveneens dat de regering geen grond aan Mennonieten zou verstrekken. Hij sprak toen over een pilotproject van maximaal 50 families voor drie jaar. Daarmee werd het project door de toenmalige regering gepresenteerd als een beperkte proef, waarbij de normale procedures rond verblijf en grondgebruik van toepassing zouden blijven.
Pilotproject werd later ingetrokken
De politieke situatie rond het project veranderde enkele maanden later. Key News meldde in maart 2024 dat Santokhi had aangegeven dat het pilotproject in regeringsverband was ingetrokken. Terra Invest Suriname, dat destijds bemiddelde voor de Mennonieten en landbouwgrond zocht, zei toen via de media over dat besluit te hebben vernomen en om nadere uitleg te hebben gevraagd.
In dezelfde periode kwam er ook kritiek vanuit delen van de samenleving, Inheemse en tribale gemeenschappen en milieuorganisaties. De zorgen gingen vooral over grootschalige landbouw in het binnenland, mogelijke ontbossing en de gevolgen voor woongebieden en leefgebieden. Vier ministeries gaven in maart 2024 een negatief advies over landbouwactiviteiten van Mennonieten in het binnenland, onder meer vanwege milieurisico’s en onduidelijkheid over de omvang van het project.
Volgens Ramdin was het uitgangspunt landbouw op bestaande gronden, zonder staatsgrond en zonder ontbossing.
Huidige regering treedt op tegen drie locaties
De kwestie kreeg in augustus 2026 opnieuw een scherpe wending. Key News berichtte dat de regering optreedt tegen Mennonieten op Bantipasi, Albergapasi en Masoniakreek. Volgens minister Stanley Soeropawiro van Grondbeleid en Bosbeheer ontbraken op deze locaties de vereiste toestemmingen en was op delen van het terrein primair bos verwijderd.
President Jennifer Simons heeft intussen duidelijk gemaakt dat haar regering grootschalige landbouw niet ten koste van primair bos wil laten plaatsvinden. In een officiële verklaring van de Surinaamse regering staat dat woongebieden en leefgebieden van Inheemse en tribale gemeenschappen beter moeten worden beschermd en dat tegen illegale activiteiten in het binnenland maatregelen worden getroffen.
Onduidelijkheid over verblijfsstatus blijft bestaan
Tegelijkertijd bestaat er discussie over de verblijfsdocumenten van betrokken Mennonieten. Administratiekantoor Profil & Partners stelde deze maand dat aanvragen voor Mennonietenfamilies tijdig zijn ingediend en verwees daarbij naar toestemming die in 2022 onder het ministerie van Ramdin zou zijn gegeven. Key News wees er eerder op dat een ingediende aanvraag niet automatisch betekent dat een verblijfsvergunning is goedgekeurd of nog geldig is.
Braganza weerspreekt lezing van de regering
Ook Braganza Marketing Group betwist dat Mennonieten die aan haar landbouwprojecten werken illegaal bezig zijn. Het bedrijf stelt dat betrokkenen uit Belize en Mexico met geldige visa naar Suriname zijn gekomen en dat de werkzaamheden voortkomen uit afspraken met de overheid. Braganza heeft daarnaast gewaarschuwd voor een mogelijke schadeclaim van US$ 86 miljoen als de staat volgens het bedrijf terugkomt op gemaakte afspraken.
De regering heeft die lezing niet overgenomen. Minister Soeropawiro benadrukt dat de aanpak niet gericht is tegen Mennonieten als religieuze groep, maar tegen activiteiten die zonder de vereiste vergunningen of in strijd met regels voor grond- en bosbeheer plaatsvinden.
Ramdin legt nadruk op oorspronkelijke voorwaarden
Ramdin houdt nu vast aan de uitleg dat het oorspronkelijke initiatief juist onder duidelijke beperkingen was opgezet. Hij wijst erop dat landen in Zuid-Amerika verschillende ervaringen hebben met Mennonitische landbouwgemeenschappen. In sommige landen leveren zij volgens hem een substantiële bijdrage aan productie en export, terwijl elders problemen zijn ontstaan rond grondgebruik en milieu.
De actuele discussie zal daarom vooral moeten uitwijzen welke afspraken uit het oorspronkelijke pilotproject daadwerkelijk zijn uitgevoerd, welke later zijn ingetrokken en welke juridische basis bestaat voor de huidige landbouwprojecten. Ook moet duidelijk worden wie toestemming gaf voor verblijf, grondgebruik en activiteiten in het bos. Die antwoorden zijn bepalend voor de verdere beoordeling van de Mennonietenkwestie in Suriname.







