Het ministerie van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking (BIS) heeft van 15 tot en met 17 december in Georgetown, Guyana, deelgenomen aan een subregionale workshop over de Antigua and Barbuda Agenda for Small Island Developing States (ABAS) en het bijbehorende Monitoring & Evaluation (M&E)-framework.
Namens het directoraat Internationale Samenwerking van BIS namen onderdirecteur Juan Pawiroredjo en Desk Officer Charissa Dhauri deel. Ook Anjali De Abreu-Kisoensingh, van de afdeling wetenschappelijk onderzoek en planning van het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS), maakte deel uit van de Surinaamse delegatie. De workshop, waaraan diverse statistiekbureaus deelnamen, was gericht op capaciteitsversterking van SIDS-landen op het gebied van implementatie, monitoring en evaluatie van de ABAS, met aandacht voor beleidscoherentie en voortgangsrapportage.
Pawiroredjo verzorgde tijdens de bijeenkomst een presentatie over de Sustainable Development Goals (SDG)-mechanismen in Suriname. Daarbij ging hij in op het nationaal coördinatiemechanisme en de ervaringen met het opstellen en presenteren van de Voluntary National Review (VNR).
Tijdens de driedaagse training werkten deelnemers daarnaast aan een praktische opdracht, waarbij in groepen een hypothetische Caribische SIDS werd ontworpen. In dat scenario moest een ABAS-taskforce worden opgezet en een activiteitenplanning voor het eerste kwartaal van 2026 worden uitgewerkt, gericht op implementatie en monitoring van de agenda. Een belangrijk terugkerend punt was dat overheden meer moeten investeren in het verzamelen en digitaliseren van data, omdat betrouwbare data essentieel zijn voor het ontwikkelen en bijsturen van beleid.
De groep waarin Suriname was vertegenwoordigd, werd volgens BIS door de organisatie en deelnemers beoordeeld als de best presterende groep. Daarmee werd de bijdrage en deskundigheid van de Surinaamse delegatie nadrukkelijk erkend.
Volgens het ministerie past de deelname in de bredere inzet om internationale samenwerking te versterken en de nationale uitvoering van mondiale en regionale ontwikkelingsagenda’s verder te ondersteunen.










