De openbare vergadering van De Nationale Assemblée over de vorderingen tot in staat van beschuldigingstelling van drie gewezen politieke ambtsdragers heeft donderdag geleid tot uiteenlopende betogen van leden van de onderzoekscommissie. Het gaat om de zaken rond gewezen minister Gillmore Hoefdraad, gewezen minister Riad Nurmohamed en gewezen minister Bronto Somohardjo.
De vorderingen van de procureur-generaal zijn op 11 maart 2026 bij DNA ingediend. Op 24 maart werd besloten een commissie van onderzoek in te stellen, die op 30 maart voor het eerst bijeenkwam. Volgens de stukken heeft de commissie in totaal negen vergaderingen belegd en zijn de betrokkenen of hun gemachtigden gehoord.
Commissievoorzitter Rabin Parmessar gaf tijdens zijn betoog aan dat het parlement volgens hem nog niet voldoende is geïnformeerd om tot een weloverwogen besluit te komen. Hij stelde dat er nog vragen openstaan over de inhoud en onderbouwing van de vorderingen. Volgens Parmessar wilde de commissie nadere toelichting van de procureur-generaal, maar zou de PG hebben aangegeven slechts schriftelijk te willen reageren. Dat acht Parmessar, mede gezien de wettelijke deadline van 8 juni, niet werkbaar.
Volgens Parmessar moet DNA niet op de stoel van het Openbaar Ministerie gaan zitten, maar heeft het parlement wel de verantwoordelijkheid om zich genoegzaam te laten informeren. Hij benadrukte dat de betrokken gewezen ambtsdragers worden verweten de Anti-corruptiewet te hebben overtreden, maar dat duidelijker moet worden gemaakt welke mogelijke corruptieve handelingen precies zouden zijn gepleegd en op basis waarvan het Openbaar Ministerie tot die verdenking is gekomen.
Sharman: vorderingen voldoen aan WIPA
Commissielid Dew Sharman kwam tot een andere conclusie. Hij hield een technisch-procedureel betoog en stelde dat de vorderingen voldoen aan de Grondwet en de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, de WIPA. Volgens Sharman hoeft DNA niet het volledige strafdossier te ontvangen, omdat het parlement niet de inhoudelijke strafrechtelijke beoordeling moet overnemen van het Openbaar Ministerie.
In zijn analyse stelde Sharman dat de vorderingen op deugdelijke wijze zijn ingediend en dat er een korte feitelijke omschrijving van de vermeende misdrijven is gegeven, met verwijzing naar de wetten en artikelen die volgens het OM zouden zijn overtreden. Volgens hem is daarmee voldaan aan de wettelijke vereisten.
Sharman gaf verder aan dat de betrokken gewezen politieke ambtsdragers door de commissie zijn gehoord en dat daarmee ook aan de procedurele verplichtingen is voldaan. Volgens hem moet DNA uitsluitend beoordelen of vervolging politiek-bestuurlijk in het algemeen belang wordt geacht, en geen inhoudelijke strafrechtelijke toetsing doen.
Hij concludeerde dat de commissie genoegzaam is geïnformeerd en dat er volgens hem geen sprake is geweest van rancune of politieke inmenging. Sharman stelde dat de betrokkenen, indien zij het oneens zijn met de beschuldigingen, de gelegenheid moeten krijgen hun onschuld aan te tonen bij de onafhankelijke rechter. Vanuit dat uitgangspunt adviseerde hij de vorderingen te honoreren.
Jones waarschuwt voor politieke vervolging
Commissielid Jones plaatste juist vraagtekens bij de gevolgde procedure en de bredere bedoeling van de WIPA. Volgens hem is de wet bedoeld om te voorkomen dat politieke ambtsdragers worden geconfronteerd met ongefundeerde of politiek gemotiveerde strafzaken. Hij verwees daarbij naar eerdere ervaringen, waaronder de zaak rond gewezen vicepresident Ashwin Adhin, die volgens hem laat zien dat politieke vervolging in Suriname niet uitgesloten kan worden.
Jones stelde dat het parlement in deze fase niet moet beoordelen of iemand strafrechtelijk schuldig is, maar of vervolging in politiek-bestuurlijk opzicht in het algemeen belang is. Volgens hem heeft de commissie zich onvoldoende over die vraag gebogen. Hij gaf aan het verslag niet te hebben getekend, omdat hij zich niet kan terugvinden in de gevolgde procedure.
Ook verwees Jones naar de zaak-Hoefdraad en eerdere internationale signalen rond Interpol, waarbij volgens hem is gewezen op mogelijke politieke vervolging. In de zaak-Nurmohamed stelde hij vragen over de verantwoordelijkheid voor betalingen aan een ondernemer en wees hij erop dat betalingen volgens hem door de minister van Financiën en niet door de minister van Openbare Werken worden getekend.
Openbare behandeling zonder interrupties
Voorafgaand aan de behandeling werd aangegeven dat de commissieleden elk spreektijd kregen om zich over de drie zaken uit te laten. Fractieleiders kregen eveneens spreektijd, maar er zou geen discussie worden gevoerd en er zouden geen punten van orde worden toegelaten. Omdat Parmessar als commissielid reeds het woord voerde, zou namens de NDP-fractie Diepakkoemar Sapoen spreken.
De behandeling van de drie vorderingen draait om de vraag of DNA toestemming zal geven voor verdere vervolging van de drie gewezen ambtsdragers. De uiteindelijke beslissing van het parlement is van belang voor het verdere verloop van de zaken bij het Openbaar Ministerie.














