Asielzoekers krijgen in Suriname niet automatisch toegang tot de arbeidsmarkt. Zij mogen alleen werken wanneer zij beschikken over een geldige werkvergunning. Dat heeft minister André Misiekaba van Volksgezondheid, Welzijn en Arbeid duidelijk gemaakt tijdens de begrotingsbehandeling in De Nationale Assemblee.
De kwestie kwam aan de orde nadat in het parlement vragen waren gesteld over berichten dat buitenlanders zich in Suriname als asielzoeker zouden vestigen en vervolgens zonder werkvergunning aan de slag zouden kunnen. Daarbij werd gewezen op de bestaande vrijstelling voor erkende vluchtelingen die hun status met een verblijfsdocument kunnen aantonen.
Volgens Misiekaba mag hierover geen misverstand bestaan, omdat het vraagstuk direct raakt aan de positie van lokale werknemers op de arbeidsmarkt. “In Suriname geeft een asielstatus geen automatische toegang tot de arbeidsmarkt”, stelde de minister. Hij benadrukte dat de Wet Werkvergunning Vreemdelingen volledig van kracht blijft.
“Een asielzoeker mag dus niet tewerkgesteld worden als hij niet in het bezit is van een geldige werkvergunning”, aldus Misiekaba. Volgens de bewindsman kan iemand pas als erkend vluchteling worden beschouwd wanneer hij of zij een verblijfsvergunning als vluchteling kan aantonen.
De minister koppelde het onderwerp aan de bredere bescherming van de Surinaamse arbeidsmarkt. Volgens hem wordt bij de afgifte van werkvergunningen voor buitenlandse arbeidskrachten streng gekeken of hun inzet daadwerkelijk noodzakelijk is. Werkvergunningen worden alleen verleend voor functies waarvoor aantoonbaar geen geschikt lokaal arbeidsaanbod beschikbaar is.
Werkgevers die een buitenlandse werknemer willen inzetten, moeten daarom kunnen aantonen dat zij eerst voldoende inspanningen hebben verricht om lokaal personeel te werven. Bij de beoordeling wordt niet alleen gekeken naar de vacature zelf, maar ook naar de aard van de functie, de vereiste kwalificaties en de beschikbaarheid van lokale kandidaten.
“Indien blijkt dat geschikte lokale kandidaten beschikbaar zijn of dat er onvoldoende inspanningen zijn verricht om deze kandidaten te werven, kan de aanvraag voor een werkvergunning worden afgewezen”, aldus de minister.
Ook de handhaving kwam aan de orde. Volgens Misiekaba is de geldboete voor overtreding van de Wet Werkvergunningen verhoogd naar de derde categorie, wat neerkomt op SRD 25.000 per afzonderlijke overtreding. Toch zijn er in de praktijk nog knelpunten bij de toepassing van deze boetes.
De minister gaf aan dat de boetes uit de arbeidswetgeving nog moeten worden opgenomen op de boetelijst van het ministerie van Justitie en Politie. Pas daarna kan, na afstemming met het Openbaar Ministerie, afhandeling via snelrecht mogelijk worden gemaakt. “Tot op heden is deze stap echter nog niet gerealiseerd”, zei Misiekaba.
Volgens hem belemmert dat de handhaving. “Dit heeft tot gevolg dat de in de wetgeving opgenomen boetes in de praktijk vooralsnog niet daadwerkelijk kunnen worden opgelegd, waardoor de handhaving van de arbeidswetgeving wordt belemmerd”.
De regering zegt te streven naar een balans tussen de behoefte van werkgevers aan gespecialiseerde buitenlandse arbeidskrachten en de bescherming van de werkgelegenheidskansen van de lokale beroepsbevolking. Daarbij moet worden voorkomen dat asielprocedures of andere verblijfsconstructies worden gebruikt om de regels rond tewerkstelling te omzeilen.









