DNA-voorzitter Michael Ashwin Adhin heeft woensdag tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij stilgestaan bij de betekenis van Keti Koti en de lange weg naar daadwerkelijke vrijheid. De plechtigheid vond plaats bij het Kwakoe-monument op de hoek van de Zwartenhovenbrugstraat en de Dr. Sophie Redmondstraat in Paramaribo.
Adhin sloot zijn toespraak af met de Surinaamse odo: “Ef’ yu no abi finga, yu no kan meki kofu.” Het spreekwoord, afkomstig uit de verzameling Surinaamse odo’s van Guno Hoen, betekent vrij vertaald: zonder vingers kun je geen vuist maken. Volgens de parlementsvoorzitter onderstreept dit dat Suriname alleen vooruit kan komen wanneer mensen en groepen gezamenlijk optrekken.
Tijdens zijn toespraak ging Adhin in op de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Op die dag werden in Suriname ruim 33.000 tot slaaf gemaakten officieel vrij verklaard. Vanuit Fort Zeelandia klonken toen 21 kanonschoten. Toch plaatste de DNA-voorzitter kanttekeningen bij de invulling van die vrijheid.
“Laten wij eerlijk zijn over wat die vrijheid wel en niet was. Wie kreeg de vergoeding? Niet de mensen die geleden hadden. Hun meesters kregen driehonderd gulden per mens. De vrijgemaakten kregen niets, geen cent, geen grond, geen gereedschap. De daders zijn betaald en de slachtoffers zijn met lege handen achtergelaten”, zei Adhin.
Hij wees er ook op dat na 1863 nog tien jaar staatstoezicht volgde. Daardoor moesten de vrijgemaakten verplicht blijven werken op de plantages. Volgens Adhin is daarom niet alleen 1863, maar ook 1873 een belangrijk ijkpunt in de Surinaamse geschiedenis.
De parlementsvoorzitter verwees verder naar schrijver en verzetsstrijder Anton de Kom. Volgens Adhin beschreef De Kom de Surinaamse geschiedenis vanuit het perspectief van de tot slaaf gemaakten en hun nazaten, en niet vanuit het perspectief van de voormalige overheersers.
Ook bracht Adhin hulde aan de marrons, onder wie vrijheidsstrijder Boni. Zij ontvluchtten al vóór de formele afschaffing van de slavernij de plantages en stichtten eigen vrije gemeenschappen in het binnenland.
In zijn toespraak verwees Adhin ook naar het werk van antropoloog Yvon van der Pijl, die schrijft dat de doden niet dood zijn, maar als voorouders in de samenleving voortleven. Daarbij haalde hij de gedachte aan: “Mi a no mi, mi na wi” – ik ben niet ik alleen, ik ben wij.
Volgens Adhin hield de strijd voor menswaardigheid niet op na de afschaffing van de slavernij. Ook contractarbeiders uit India en Java kregen later te maken met uitbuiting en kwamen op voor hun rechten. “Marron en Creool, Hindostaan en Javaan, dwars door al die bevolkingsgroepen heen is de strijd voor een menswaardig bestaan door onze voorouders gevoerd”, stelde hij.
Na afloop van de plechtigheid werd een bloemenhulde gebracht bij het Kwakoe-monument.










