De mennonieten die via een tweede kort geding hun uitzetting uit Suriname probeerden tegen te houden, hebben hun vordering tot opschorting van de uitzetting ingetrokken. De zes personen die na de deportatie van het grootste deel van de groep in Suriname achterbleven, hebben aangegeven eveneens het land te willen verlaten om met hun gezinsleden te worden herenigd.
De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft dit dinsdag 3 november 2026 bij rolbeschikking vastgesteld. Over de resterende vorderingen, in het bijzonder de proceskosten, volgt op maandag 9 november om 13.30 uur een beslissing.
Dat blijkt uit de toelichting van de persrechter, Marjory Sanches die dinsdagmiddag de inhoud van de rolbeschikking aan journalisten heeft voorgehouden. Het kort geding was op 29 oktober namens 56 mennonieten aangespannen tegen de Staat Suriname. De zaak werd op maandag 2 november mondeling behandeld.
Advocaat Derrick Veira had namens de betrokkenen onder meer geëist dat de Staat de voorgenomen uitzetting onmiddellijk zou opschorten. Daarnaast verlangde hij dat zijn cliënten hun recht op rechtsbijstand konden uitoefenen en dat hij toegang tot hen zou krijgen.

Aan de gevraagde rechterlijke bevelen wilde de advocaat een dwangsom van SRD 10 miljoen per dag verbinden. Ook werd verzocht de Staat te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder een bedrag van SRD 150.000 voor het salaris van de gemachtigde.
Achtergebleven moeders kiezen voor gezinshereniging
De situatie veranderde nadat het grootste deel van de mennonieten afgelopen weekend uit Suriname was gezet. Zes personen, onder wie drie moeders met hun baby’s, bleven achter op de opvanglocatie in Kraka. Tijdens de zitting van 2 november werd afgesproken dat advocaat Veira zijn achtergebleven cliënten zou bezoeken om na te gaan of zij hun juridische procedure wilden voortzetten.
Volgens de persrechter blijkt uit de rolbeschikking dat de advocaat zijn cliënten heeft gesproken. Bij een akte van uitlating van dinsdag 3 november liet hij de rechtbank weten dat de moeders niet langer belang hadden bij het tegenhouden van hun uitzetting. Zij hebben ervoor gekozen om in het kader van gezinshereniging eveneens op 3 november te worden uitgezet, zodat zij zich weer bij hun eerder vertrokken gezinsleden kunnen voegen.
Daarop werden de vorderingen tot opschorting van de uitzetting en de daaraan verbonden dwangsommen ingetrokken. De rolbeschikking bevestigt hun wens om te vertrekken, maar vormt op zichzelf geen bevestiging dat de uitzetting inmiddels daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Rechter heeft nog geen inhoudelijk oordeel gegeven
De kantonrechter heeft dinsdag geen inhoudelijke uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van de uitzetting in dit tweede kort geding. Volgens de toelichting van de persrechter resteert voornamelijk de kwestie van de proceskosten. De rechter heeft bepaald dat op maandag 9 november 2026 om 13.30 uur einduitspraak wordt gedaan over de resterende vorderingen, in het bijzonder de proceskosten. De intrekking betekent dus niet dat de rechter de oorspronkelijke bezwaren van de mennonieten inhoudelijk heeft afgewezen.
Mennonieten beroepen zich op eerdere overheidstoestemming
Uit de toelichting op de rolbeschikking blijkt verder dat de eisers hadden aangevoerd dat zij op uitnodiging van de Surinaamse overheid naar het land waren gekomen om landbouwactiviteiten te ontplooien. Volgens hen was eerder toestemming gegeven voor de komst van vijftig gezinnen.
De betrokkenen stelden dat zij in 2024 aanvragen voor een machtiging tot kort verblijf (MKV) hadden ingediend, maar daarop geen reactie hadden ontvangen. Hierdoor zouden zij niet in staat zijn geweest het verdere traject voor het verkrijgen van de vereiste verblijfsdocumenten te doorlopen.
Ook voerden zij aan dat zij via de media hadden vernomen dat hun aanvragen waren afgewezen. Vervolgens zou bij de president om herziening van het besluit zijn gevraagd. De Staat heeft deze juridische argumentatie bestreden. Volgens het verweer waarop de persrechter wees, biedt de Vreemdelingenwet niet de door eisers ingeroepen mogelijkheid om herziening van het genomen besluit te vragen. Over deze tegenstrijdige standpunten heeft de rechter in de dinsdag uitgesproken rolbeschikking geen inhoudelijk oordeel gegeven.
Nationaliteit van in Suriname geboren baby’s niet beoordeeld
Tijdens de persbijeenkomst kwamen ook vragen aan de orde over de juridische positie van kinderen die in Suriname zijn geboren uit buitenlandse ouders. De persrechter verduidelijkte dat de rolbeschikking geen oordeel bevat over de nationaliteit van de achtergebleven baby’s. De vraag of een in Suriname geboren kind de Surinaamse nationaliteit bezit, moet afzonderlijk worden beoordeeld aan de hand van de toepasselijke nationaliteitswetgeving en de omstandigheden van het individuele geval.
Daarbij speelt onder meer een rol welke nationaliteit de ouders bezitten en of het kind volgens de wetgeving van een ander land aanspraak heeft op die nationaliteit. De rechter heeft zich hierover in deze procedure niet uitgesproken.
Tweede rechtszaak na eerdere afwijzing
Het ingetrokken verzoek volgt op een eerder kort geding waarin Suriname Green Energy Agriculture N.V. probeerde de uitzetting van de mennonieten tegen te houden. Op donderdag 29 oktober wees de kantonrechter die vorderingen af. Daarbij werd vastgesteld dat eerdere overheidstoezeggingen over medewerking aan het landbouwproject geen onvoorwaardelijk recht op verblijf in Suriname opleverden.
Key News berichtte eerder over de uitzetting van de mennonieten voordat hun tweede kort geding inhoudelijk kon worden afgerond. Met de intrekking van de vorderingen om de deportatie tegen te houden, is het belangrijkste doel van de tweede procedure vervallen. De juridische afhandeling is echter nog niet volledig afgerond. Op 9 november moet blijken hoe de kantonrechter over de resterende vorderingen en de proceskosten beslist.

















