De komst van mennonitische landbouwers naar Suriname biedt mogelijkheden om de agrarische productie te vergroten en de afhankelijkheid van buitenlandse voedselimporten te verminderen. Dat stelt maatschappelijk criticus Radjen Kisoensingh in een interview met ABC.
Hij uit stevige kritiek op de milieuorganisaties die zich tegen de landbouwactiviteiten verzetten en plaatst vraagtekens bij de politieke motieven achter het optreden van de regering. Tegelijkertijd benadrukt hij dat buitenlandse investeerders zich aan de Surinaamse wetgeving moeten houden.
Volgens Kisoensingh kampt de Surinaamse landbouwsector al jaren met een terugloop van arbeidskrachten en ondernemers. Hij wijst erop dat buitenlandse groepen, waaronder Haïtianen in de tuinbouw en Guyanezen in de bouwsector, een steeds belangrijkere economische rol hebben gekregen.
Kisoensingh, die zelf uit een familie van rijstlandbouwers komt, vindt dat de aanwezigheid van mennonieten vanuit hetzelfde economische perspectief moet worden bekeken. Volgens hem beschikken deze gemeenschappen over landbouwkennis, ervaring en technologie waarmee op grote schaal geproduceerd kan worden.
Minder afhankelijk van voedselimport
Een belangrijk argument van Kisoensingh is dat Suriname aanzienlijke hoeveelheden voedingsmiddelen en grondstoffen voor veevoer importeert. Hij noemt onder meer kippenvlees, maïs en soja.
Volgens hem kunnen de mennonieten een bijdrage leveren aan de lokale productie van deze gewassen. Daarmee zouden niet alleen deviezen worden bespaard, maar ook nieuwe economische activiteiten ontstaan.
Hij verwacht positieve effecten voor transportbedrijven, veevoerproducenten, landbouwverwerkers en andere ondernemingen die afhankelijk zijn van geïmporteerde grondstoffen.
Kisoensingh vindt dat Suriname deze economische mogelijkheden onvoldoende benut. Hij wijst erop dat de landbouwproductie juist versterkt moet worden om de nationale voedselvoorziening minder kwetsbaar te maken.
Stevige kritiek op milieuorganisaties
Tijdens het interview uit Kisoensingh scherpe kritiek op milieuactivisten John Goedschalk en Erlan Sleur, die zich hebben uitgesproken tegen grootschalige ontbossing in verband met de vestiging van mennonieten.
Hij betwist verschillende argumenten die volgens hem tegen de landbouwactiviteiten worden gebruikt. Zo stelt hij dat het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen niet uitsluitend voorkomt bij mennonitische landbouwers, maar ook al tientallen jaren onderdeel is van de bestaande gemechaniseerde landbouw in Suriname.
Kisoensingh trekt daarnaast de onafhankelijkheid van bepaalde milieuorganisaties in twijfel. Volgens hem ontvangen internationale milieuorganisaties financiële steun van grote ondernemingen die zelf bijdragen aan milieuvervuiling. Hij suggereert dat dergelijke financieringsstructuren invloed kunnen hebben op de standpunten die worden ingenomen.
De zorgen over grootschalige ontbossing staan overigens niet op zichzelf. Milieuorganisaties hebben eerder gewezen op mogelijke aantasting van het Surinaamse regenwoud, verlies van biodiversiteit en de gevolgen van grootschalige landbouw voor het milieu.
Goedschalk heeft eerder aangegeven dat landbouwontwikkeling mogelijk moet zijn, maar dat daarvoor geschikte gebieden buiten het primaire regenwoud moeten worden benut.
Kisoensingh spreekt van selectieve aanpak
Ook het vreemdelingenbeleid komt in het gesprek aan de orde. Kisoensingh vindt dat de overheid bij het beoordelen van buitenlandse arbeidskrachten en investeerders consequent moet optreden.
Hij verwijst naar Brazilianen, Cubanen, Haïtianen en andere buitenlandse groepen die in Suriname werkzaam zijn. Volgens hem moet de overheid duidelijk maken waarom tegen bepaalde groepen streng wordt opgetreden, terwijl andere buitenlandse gemeenschappen hun economische activiteiten kunnen voortzetten.
Tegelijkertijd erkent hij dat buitenlandse personen die niet over de vereiste verblijfs- en werkvergunningen beschikken, aan de geldende wetgeving moeten voldoen.
Zijn kritiek richt zich daarom vooral op de beleidskeuzes en de manier waarop de regering met de economische mogelijkheden van de mennonieten omgaat.
Kritiek op president Simons
Kisoensingh is ook kritisch over president Jennifer Simons. Hij vermoedt dat het staatshoofd met de aanpak van de mennonieten een zichtbaar politiek resultaat wil boeken.
Volgens hem heeft de president in haar bestuursperiode tot dusver onvoldoende concrete resultaten laten zien. Hij suggereert dat de kwestie rond de mennonieten wordt aangegrepen om daadkracht te tonen.
Het gaat hierbij om een politieke beoordeling van Kisoensingh. Zijn vermoedens over de beweegredenen van de president zijn niet onafhankelijk vastgesteld.
De regering heeft eerder een andere onderbouwing gegeven voor haar optreden. Simons heeft aangegeven dat zij grootschalige ontbossing van het primaire regenwoud voor landbouwactiviteiten wil voorkomen. Volgens haar zijn er ook andere gebieden waar landbouw kan worden ontwikkeld.
Rechter wees vordering tegen uitzetting af
De uitspraken van Kisoensingh komen tegen de achtergrond van de juridische strijd over het verblijf van mennonitische gezinnen in Suriname.
Op 29 oktober 2026 wees de kantonrechter de vordering van Suriname Green Energy Agriculture N.V. tegen de Staat af. Het bedrijf wilde voorkomen dat de betrokken mennonieten uit Suriname zouden worden gezet.
Uit het gepubliceerde vonnis van het Hof van Justitie blijkt dat de rechter het economische belang van de onderneming heeft afgewogen tegen de bevoegdheid van de Staat om de vreemdelingenwetgeving te handhaven.
Volgens de rechter beschikten de betrokken buitenlanders niet over de vereiste verblijfs- en werkvergunningen. De overeenkomst met de overheid vormde geen onvoorwaardelijke garantie dat deze vergunningen zouden worden verleend.
Op zaterdag 31 oktober verschenen vervolgens berichten dat meer dan 50 mennonieten uit Suriname waren gezet, terwijl een tweede kort geding voor maandag 2 november gepland stond. Een afzonderlijke officiële bevestiging van het vertrek van alle betrokkenen was op dat moment niet beschikbaar. Key News berichtte eerder over deze ontwikkeling.
Landbouwontwikkeling tegenover milieubescherming
De discussie over de mennonieten raakt daarmee aan een bredere beleidsvraag: hoe kan Suriname zijn landbouwproductie vergroten zonder dat dit ten koste gaat van het regenwoud, de leefomgeving van gemeenschappen en de naleving van wettelijke voorschriften?
Kisoensingh vindt dat het economische potentieel van de mennonieten zwaarder moet meewegen bij de besluitvorming. Volgens hem beschikt Suriname over mogelijkheden om met grootschalige landbouw de importafhankelijkheid te verminderen en nieuwe werkgelegenheid te creëren.
De regering benadrukt daarentegen dat landbouwontwikkeling binnen de wettelijke kaders moet plaatsvinden en dat het primaire regenwoud beschermd moet blijven.





















