Minister Harish Monorath van Justitie en Veiligheid heeft gereageerd op berichten dat binnen de VHP voorbereidingen werden getroffen om een motie van wantrouwen tegen hem in te dienen.
Volgens de bewindsman was hij op de hoogte van dergelijke voorbereidingen, maar is het uiteindelijk bij parlementaire vragen gebleven. Monorath zegt niet wakker te liggen van een eventuele motie, maar vindt dat de aanhoudende kritiek op zijn persoon ook het imago van zijn ministerie schaadt.
Tijdens een interview met ABC Actueel zei Monorath dat hij zich niet laat afleiden door de oproepen om af te treden. Hij benadrukte dat het parlement het recht heeft om een motie van wantrouwen in te dienen, maar dat de president uiteindelijk beslist over het benoemen en ontslaan van ministers.
“Ik zie dat het uiteindelijk slechts in een vragenronde is gebleven. Maar ik weet wel dat er voorbereidingen daartoe waren”, verklaarde Monorath.
De minister reageerde daarmee op berichten over een mogelijke motie van wantrouwen die verband zou houden met zijn voormalige betrokkenheid bij de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS). VHP-parlementariër Mahinder Jogi heeft in De Nationale Assemblée vragen gesteld over de rechtmatigheid van betalingen vanuit TAS en de arbeidsovereenkomst van voormalig directeur Wendy Jap-A-Joe.
Minister ontstemd over kritiek
Monorath erkent dat de kritiek hem raakt. Volgens hem wordt een beeld gecreëerd alsof zijn ministerie zich bezighoudt met onrechtmatige handelingen, terwijl er volgens hem juist belangrijke resultaten worden geboekt.
“Wij werken hard op het ministerie van Justitie en Veiligheid. En je ziet dat er progress komt”, stelde hij.
De bewindsman wees erop dat zijn ministerie met beperkte financiële middelen werkt en tegelijkertijd een achterstand probeert in te halen. Volgens hem wordt onvoldoende rekening gehouden met de inspanningen van zijn medewerkers.
Hij benadrukte dat een motie van wantrouwen een zwaar politiek instrument is dat gevolgen kan hebben voor de reputatie van het land. Daarbij verwees hij naar de internationale verplichtingen van Suriname en de bijeenkomst van CARICOM-ministers van Justitie en Veiligheid die volgende week in Paramaribo plaatsvindt.
“De wereld kijkt mee”, waarschuwde hij.
Monorath zei verder dat hij verantwoordelijk is voor een ministerie met ongeveer 6.800 medewerkers. Volgens hem worden ook zij geraakt wanneer het ministerie voortdurend in verband wordt gebracht met vermeende onregelmatigheden.
Monorath spreekt van politieke hetze
De minister richtte zijn kritiek vooral op parlementariërs van de VHP. Hij vindt het opmerkelijk dat juist vertegenwoordigers van deze partij, waarmee zijn partij ABOP vijf jaar lang samen regeerde, nu zijn handelen ter discussie stellen.
“Als je een hond wil slaan, ga je overal een stok vinden”, zei Monorath aan het begin van het interview.
Volgens hem is sprake van een terugkerend patroon waarbij parlementariërs zich specifiek op zijn persoon en ministerie richten.
Hij haalde daarbij ook een eerdere kwestie aan waarbij hij na zijn aantreden als minister nog enkele maanden een vergoeding van de Deviezencommissie ontving. Volgens Monorath was de beëindiging van die betaling administratief niet verwerkt en heeft hij het ontvangen bedrag teruggestort.
De bewindsman stelde daarnaast dat VHP-parlementariër Mahinder Jogi hem buiten het parlement via WhatsApp verzoeken zou hebben gedaan over personeelsaangelegenheden bij de politie. Monorath zegt over berichten te beschikken die dit kunnen aantonen. Die bewering is tijdens het interview niet met documenten onderbouwd.
Meer dan vijftien TAS-medewerkers betaald voor werkzaamheden bij Brunswijk
Een belangrijk onderdeel van de kritiek op Monorath betreft de inzet van personeel van de Telecommunicatie Autoriteit Suriname op het kabinet van toenmalig vicepresident Ronnie Brunswijk.
Monorath bevestigde tijdens het interview dat meer dan vijftien TAS-medewerkers gedurende de vorige regeerperiode werkzaamheden hebben verricht voor het kabinet van de vicepresident.
Volgens de minister ging het om medewerkers met deskundigheid op het gebied van juridische zaken, ICT, financiën en administratieve ondersteuning.
“Meer dan vijftien mensen van de TAS zijn af en aan aangetrokken om dat te doen”, verklaarde hij.
De medewerkers zouden buiten hun reguliere werktijden extra diensten hebben geleverd. Volgens Monorath werd soms tot tien of elf uur ’s avonds gewerkt om het kabinet draaiende te houden.
Hij benadrukte dat de betrokken personen voor deze werkzaamheden zijn betaald en dat dit volgens hem niet onrechtmatig was.
Toen hem werd gevraagd of de betalingen uit middelen van TAS afkomstig waren, antwoordde hij: “Ik denk gewoon uit het honorarium.”
Daarmee bleef onduidelijk vanuit welke begroting de vergoedingen daadwerkelijk werden betaald, hoeveel ermee gemoeid was en op welke financiële besluiten de uitbetalingen waren gebaseerd.
Minister verdedigt ondertekening contract Jap-A-Joe
Ook de arbeidsovereenkomst van voormalig TAS-directeur Wendy Jap-A-Joe kwam ter sprake.
Jogi heeft eerder vragen gesteld over de bevoegdheid van Monorath om deze overeenkomst in 2021 als toenmalig president-commissaris te ondertekenen. Volgens de parlementariër moet worden onderzocht of daarbij de wettelijke voorschriften zijn nageleefd.
Monorath houdt vol dat hij bevoegd was om de overeenkomst te ondertekenen. Volgens hem bestonden daarvoor een presidentiële resolutie en een besluit van de Raad van Ministers.
De minister verdedigde eveneens het salaris van Jap-A-Joe. Hij stelde dat directeuren van verschillende parastatale instellingen vergelijkbare of hogere salarissen ontvangen. Volgens hem moet de samenleving inzicht krijgen in de beloningen van alle directeuren bij staatsbedrijven en parastatale instellingen, zodat een eerlijke vergelijking kan worden gemaakt.
De bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst te ondertekenen is inmiddels onderdeel geworden van een juridische discussie. De rechter heeft zich in de zaak rond de voormalige TAS-directeur ook gebogen over de wettelijke benoemingsprocedure en de rechtspositie van Jap-A-Joe.
Minister wijst op resultaten van zijn beleid
Monorath vindt dat de discussie over TAS de aandacht afleidt van de werkzaamheden van zijn ministerie.
Hij verwees naar de installatie van 45 rechters, de aanpassing van wetgeving over de doodstraf en de voorbereiding van verschillende wetsvoorstellen. Ook noemde hij zijn deelname aan de beoordeling van Suriname tijdens de Universal Periodic Review (UPR) van de Verenigde Naties in Genève.
Volgens hem heeft Suriname bij die gelegenheid verantwoording afgelegd over de ontwikkelingen op mensenrechtengebied.
De minister benadrukte dat hij zich wil blijven richten op de uitvoering van zijn beleid en dat kritiek volgens hem op concrete feiten moet worden gebaseerd.
Over de oproepen om af te treden bleef hij bij zijn standpunt dat het parlement politieke middelen mag inzetten, maar dat de uiteindelijke beslissing over zijn positie bij het staatshoofd ligt.
Een motie van wantrouwen tegen Monorath is vooralsnog niet ingediend. De parlementaire vragen over zijn betrokkenheid bij TAS en de betalingen aan medewerkers zijn daarmee echter nog niet volledig beantwoord.





















