Het Syndicaat voor Onderwijsgevenden in Suriname heeft kennisgenomen van de recente verklaring van de directeur Robby Holband van het directoraat Beroepsonderwijs over het lopende onderzoek naar de situatie op IMEAO-2.
In plaats van de ontstane onduidelijkheid weg te nemen, roept deze verklaring juist fundamentele vragen op over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en hoe het ministerie met deze kwestie omgaat.
In zijn verklaring erkent Holband dat het ministerie al geruime tijd op de hoogte was van bestuurlijke problemen binnen IMEAO-2.
Hij stelt dat meerdere directeuren hebben aangegeven dat de school moeilijk bestuurbaar was en dat daarom een Interim Management Team (IMT) is aangesteld om orde en rust te herstellen. Daarmee bevestigt het ministerie zelf dat de situatie zodanig ernstig was dat bestuurlijk ingrijpen noodzakelijk werd geacht.
Tegelijkertijd verklaart de directeur dat hij inmiddels het rapport van de Interne Controle heeft ontvangen. Volgens hem zijn daarin procedurele fouten geconstateerd, maar zijn er geen aanwijzingen gevonden voor financiële malversaties. Opmerkelijk is dat hij vervolgens aangeeft dat het ministerie nog wacht op het eindrapport van het Interim Management Team alvorens verdere maatregelen te treffen.
Juist deze combinatie van uitspraken is moeilijk te begrijpen. Als het rapport van de Interne Controle voldoende duidelijkheid biedt om publiekelijk conclusies te trekken, waarom is het eindrapport van het IMT dan nog noodzakelijk voor de besluitvorming? En als het eindrapport van het IMT daadwerkelijk van doorslaggevend belang is, op basis waarvan worden nu al stellige uitspraken gedaan over de aard en de uitkomst van het onderzoek?
Deze vragen worden des te relevanter, omdat het IMT tijdens een algemene bijeenkomst met het docentenkorps nadrukkelijk heeft verklaard dat het geschil tussen de directeur en de verificatiecommissie van de school niet tot zijn opdracht behoorde. Volgens het IMT was het juist de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur om via het Bureau Interne Controle onderzoek te doen naar de geuite meldingen. Het IMT maakte daarmee zelf een duidelijk onderscheid tussen het waarborgen van de dagelijkse gang van zaken op de school en het onderzoek naar de vermeende misstanden.
De recente verklaring van Holband lijkt dat onderscheid te vervagen. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid over de precieze taakverdeling tussen de Interne Controle en het IMT, de reikwijdte van beide onderzoeken en de vraag welk rapport uiteindelijk bepalend zal zijn voor bestuurlijke besluiten. Het ministerie heeft hierover tot op heden geen helderheid verschaft.
Daarnaast betreurt het Syndicaat dat in de verklaring opnieuw de indruk wordt gewekt dat de verificatiecommissie verantwoordelijk zou zijn voor het openbaar worden van deze kwestie. Daarbij wordt volledig voorbijgegaan aan het feit dat deze commissie juist aan de bel heeft getrokken, nadat zij ernstige onregelmatigheden meende te hebben geconstateerd en zich onvoldoende gehoord voelde binnen de daarvoor aangewezen kanalen.
Pas daarna is het Syndicaat benaderd om de belangen van de betrokken onderwijsgevenden te behartigen. In een rechtsstaat behoren meldingen van mogelijke misstanden zorgvuldig te worden onderzocht en niet te worden beoordeeld op basis van het feit dat zij uiteindelijk de openbaarheid hebben bereikt.
Het Syndicaat stelt bovendien vast dat het ministerie gedurende het gehele traject heeft nagelaten inhoudelijk te reageren op de herhaalde schriftelijke correspondentie van het Syndicaat. Terwijl in de media uitvoerige verklaringen worden afgelegd over het onderzoek, blijven de formeel gestelde vragen van het Syndicaat onbeantwoord. Dat staat op gespannen voet met de beginselen van behoorlijk, transparant en zorgvuldig bestuur.
De samenleving heeft recht op volledige duidelijkheid. Er dient inzicht te worden gegeven in de inhoud en reikwijdte van zowel het rapport van de Interne Controle als het eindrapport van het Interim Management Team. Eveneens dient helder te worden gemaakt welke onderzoeksvragen aan beide instanties zijn voorgelegd, welke bevindingen daaruit voortvloeien en op welke objectieve gronden uiteindelijk bestuurlijke conclusies worden getrokken.







