Voormalig OAS-stafchef Xaviera Jessurun zegt dat zij onder druk haar functie bij de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) heeft moeten neerleggen. Volgens haar hebben de intrekking van haar Amerikaanse diplomatenvisum, het verlies van haar privileges en immuniteiten als OAS-medewerker en de invloed van een lidstaat ertoe geleid dat zij geen andere keuze had dan haar ontslag in te dienen.
Dat schrijft Jessurun in een verklaring waarover ABC heeft bericht. Het is de eerste uitgebreide reactie van Jessurun sinds bekend werd dat de Verenigde Staten haar diplomatenvisum hebben ingetrokken en zij kort daarna haar functie als stafchef van OAS-secretaris-generaal Albert Ramdin neerlegde.
Volgens Jessurun moest zij haar ontslag met onmiddellijke ingang indienen, ondanks bepalingen in de personeelsreglementen van de OAS die normaal gesproken een andere procedure voorschrijven.
“Naar aanleiding van invloed aangewend door een lidstaat en het intrekken van mijn visum en privileges en immuniteiten als werknemer van de Organisatie van Amerikaanse Staten heb ik mijn ontslag moeten indienen”, schrijft zij in haar verklaring.
Jessurun benadrukt dat haar vertrek volgens haar niets te maken heeft met haar functioneren binnen de organisatie. Zij stelt dat de aanhoudende berichtgeving en de druk rondom haar persoon een afleiding vormden voor het werk van het kantoor van de secretaris-generaal. Om die reden achtte zij het noodzakelijk een stap terug te doen, zodat de OAS zich volledig kan blijven richten op haar kerntaken.
Beroep op vermoeden van onschuld
In haar verklaring zegt Jessurun teleurgesteld te zijn dat er volgens haar onvoldoende rekening is gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld. Zij wijst erop dat dit een fundamenteel rechtsbeginsel is, dat ook is opgenomen in de Amerikaanse Verklaring van de Rechten en Plichten van de Mens.
Jessurun stelt dat zij zich de afgelopen jaren actief heeft ingezet voor de Surinaamse samenleving en verschillende werkzaamheden heeft verricht in opdracht van de overheid, steeds met de ontwikkeling van Suriname als doel. Tegelijkertijd zegt zij dat politieke tegenstand en juridische vergeldingsacties haar niet onbekend zijn.
Onderzoek volgens Jessurun politiek gemotiveerd
De voormalige OAS-stafchef gaat in haar verklaring ook in op het strafrechtelijk onderzoek waarin haar naam voorkomt. Volgens haar werd in 2022 een onderzoek gestart tegen meerdere personen, onder wie zijzelf, en lag daaraan volgens haar een politieke motivatie ten grondslag.
Jessurun verwijst daarbij naar haar betrokkenheid bij de herstructurering van de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij, SLM. Dat traject vond volgens haar plaats in opdracht van toenmalig president Chan Santokhi en maakte deel uit van een ingewikkeld en vertrouwelijk faillissementsproces.
Volgens Jessurun werd zij op 11 september 2022 als getuige gehoord en pas in 2025 als verdachte aangemerkt. Zij voert aan dat de zaak bijna vier jaar na de start van het onderzoek nog altijd niet inhoudelijk is behandeld.
Ondanks haar kritiek op de duur van het proces zegt Jessurun respect te hebben voor de rechtsorde en haar volledige medewerking te blijven verlenen aan het onderzoek.
Zij geeft aan dat afgelopen maandag de eerste behandeling van haar hoger beroep in de bezwaarfase heeft plaatsgevonden. De volgende behandeling van het ingediende bezwaarschrift staat gepland voor 22 juni 2026 in de raadkamer van het Hof van Justitie.
“Hoe frustrerend ook, het proces moet zijn beloop hebben, uit respect voor de rechtsorde”, aldus Jessurun.
Vertrek volgens Jessurun in belang van OAS
Jessurun noemt het een eer dat zij sinds 26 mei 2025 deel mocht uitmaken van het team van secretaris-generaal Ramdin. Tegelijkertijd stelt zij dat haar vertrek uiteindelijk in het belang van de OAS is.
Volgens haar staat het westelijk halfrond voor grote uitdagingen, waaronder de versterking van democratie en rechtsstatelijkheid, veiligheid, duurzame ontwikkeling en de bescherming van fundamentele mensenrechten.
Met haar terugtreden hoopt Jessurun dat de aandacht weer volledig kan uitgaan naar het werk van de organisatie en de uitvoering van haar regionale doelstellingen.











