De regering van president Jennifer Simons houdt voorlopig vast aan de brandstofsubsidie waarmee de pompprijzen voor benzine en diesel worden begrensd. Hoewel de zogeheten price cap de staat volgens eerder gepresenteerde cijfers ongeveer SRD 350 miljoen per maand aan inkomsten kost, vindt het staatshoofd het op dit moment onverantwoord om de maatregel af te schaffen.
Simons vreest dat hogere brandstofprijzen zullen leiden tot een nieuwe golf van prijsverhogingen in winkels, terwijl de overheid nog onvoldoende in staat is om onterechte prijsstijgingen tegen te gaan.
Dat zei de president zaterdag 7 november 2026 in het programma Kal Aaj Aur Kal van Rapar Broadcasting Network (RBN). Volgens Simons is het uiteindelijk onvermijdelijk dat de subsidiëring van brandstof wordt afgebouwd, maar moet de regering eerst de gevolgen voor consumenten, het bedrijfsleven en de transportsector kunnen opvangen.
Price cap sinds maart van kracht
De regering voerde de price cap-regeling op 18 maart 2026 in om de brandstofprijzen te stabiliseren. Aanleiding waren de sterk stijgende internationale olieprijzen als gevolg van de oorlogssituatie in het Midden-Oosten.
Destijds werden de maximumprijzen vastgesteld op SRD 53,27 per liter diesel en SRD 48,32 per liter unleaded benzine. De regeling gold voor nieuwe brandstofladingen vanaf 18 maart en was niet van toepassing op super unleaded.
Wanneer de internationale olieprijzen boven het vastgestelde prijsplafond uitkomen, wordt het verschil opgevangen via de zogenoemde Government Take, het overheidsaandeel in de brandstofprijs. Hierdoor ziet de staat af van een deel van haar inkomsten om te voorkomen dat internationale prijsstijgingen volledig worden doorberekend aan consumenten.
Ook in april besloot de regering de prijzen te handhaven. Key News berichtte toen dat de prijsplafonds voor diesel en unleaded voorlopig ongewijzigd bleven.
Brandstofcap kost staat honderden miljoenen
De financiële gevolgen van de maatregel kwamen in augustus nadrukkelijk naar voren. Minister Adelien Wijnerman van Financiën en Planning maakte toen bekend dat de brandstofcap de overheid ongeveer SRD 350 miljoen per maand aan inkomsten kostte.
Volgens de minister was het totale bedrag aan gederfde inkomsten tot en met juli opgelopen tot ongeveer SRD 1,4 miljard. De regering onderzocht daarom verschillende mogelijkheden om de regeling geheel of gedeeltelijk af te bouwen.
De minister wees erop dat een verhoging van de ambtenarensalarissen weinig verbetering in koopkracht zou opleveren als consumenten tegelijkertijd met fors hogere brandstofprijzen en stijgende kosten van levensonderhoud worden geconfronteerd.
Ondanks de financiële druk werd op dat moment geen definitieve beslissing genomen over de beëindiging van de regeling.
Waarschuwingen vanaf invoering
Dat de price cap financieel moeilijk vol te houden zou zijn, werd al kort na de invoering duidelijk. Op 25 maart stelde Edgar Dikan, coördinator van het presidentieel Crisisbeheersingsteam, dat de maatregel noodzakelijk was om de economie te beschermen tegen inflatie, maar niet onbeperkt kon worden voortgezet.
Ook vanuit het bedrijfsleven werden kritische kanttekeningen geplaatst. De Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB) waarschuwde in maart voor de mogelijke gevolgen van het brandstofbeleid voor de overheidsfinanciën, inflatie en wisselkoersstabiliteit.
Uit een peiling onder VSB-leden bleek dat ongeveer driekwart van de respondenten een algemene price cap als risicovol tot zeer risicovol beschouwde. De organisatie pleitte voor een zorgvuldige beoordeling van de economische gevolgen van het prijsplafond.
Simons vreest nieuwe prijsverhogingen
Volgens president Simons is het grootste probleem bij het loslaten van de brandstofprijzen dat verhogingen aan de pomp vaak worden aangegrepen om de prijzen van levensmiddelen en andere producten op te drijven.
Winkeliers zouden volgens haar geregeld prijsverhogingen doorvoeren die niet volledig kunnen worden gerechtvaardigd door de gestegen brandstofkosten.
Het staatshoofd erkent dat de prijscontrole nog onvoldoende functioneert om dergelijke praktijken effectief tegen te gaan. De regering werkt aan verbetering van het toezicht, maar wil voorkomen dat consumenten in de tussentijd met nieuwe prijsstijgingen worden geconfronteerd.
Daarnaast kan het vrijgeven van de dieselprijs leiden tot hogere overheidsuitgaven voor het openbaar vervoer en schoolvervoer. De regering zou dan meer compensatie moeten verstrekken om de tarieven betaalbaar te houden.
Ook daar bestaan volgens Simons problemen met de controle. Zo hebben vervoerders nog niet allemaal voldaan aan de verplichting om hun GPS-systemen in orde te maken, waardoor de overheid onvoldoende zicht heeft op de uitvoering van gesubsidieerde vervoersdiensten.
Nog geen einddatum voor brandstofcap
Met de jongste verklaring bevestigt president Simons dat de regering voorlopig geen einde maakt aan de brandstofsubsidie. Een concreet tijdschema voor de afbouw is niet bekendgemaakt.
Ook heeft het staatshoofd geen actuele cijfers gegeven over de totale inkomsten die de overheid sinds de invoering van de price cap in maart heeft misgelopen. Het laatstgenoemde bedrag van SRD 1,4 miljard had betrekking op de periode tot en met juli 2026.
De regering staat daarmee voor de opgave om enerzijds de koopkracht van de bevolking te beschermen en anderzijds de druk op de staatsfinanciën te beperken.
Voorlopig kiest Simons ervoor de brandstofprijzen te blijven ondersteunen, totdat volgens haar voldoende controlemechanismen aanwezig zijn om de gevolgen van het afbouwen van de subsidie op te vangen.
Redactioneel aandachtspunt: Het bedrag van SRD 350 miljoen per maand betreft eerder gerapporteerde gederfde overheidsinkomsten, niet een nieuw vastgesteld bedrag voor november. Dat onderscheid is belangrijk omdat er nog geen actuele financiële verantwoording beschikbaar is.


















