De afwijzing van het kort geding dat Suriname Green Energy Agriculture N.V. tegen de Staat Suriname had aangespannen, betekent niet dat de rechter opdracht heeft gegeven om de mennonieten uit Suriname te zetten. Bij een eventuele uitzetting moeten de autoriteiten de wettelijke procedures blijven volgen.
Dat benadrukte persrechter Marjorie Sanches donderdag 29 oktober tijdens een toelichting aan de media op het vonnis. De Surinaamse Vreemdelingenwet biedt onder bepaalde voorwaarden ook mogelijkheden om uitzettingsbesluiten aan te vechten.
Sanches legde uit dat de kantonrechter uitsluitend de vordering van de onderneming heeft afgewezen om de Staat te verbieden voorbereidingen voor een eventuele uitzetting te treffen. Daarmee is geen rechterlijk verbod opgelegd aan de overheid, maar evenmin een bevel gegeven om de betrokken families daadwerkelijk uit het land te verwijderen.

De persrechter kon na de uitspraak niet aangeven wat er verder met de mennonieten zou gebeuren. Die beslissing ligt volgens haar bij de bevoegde autoriteiten.
Inmiddels heeft politiewoordvoerder Michel Elskamp bekendgemaakt dat voorbereidingen worden getroffen om 63 mennonieten, onder wie drie baby’s, met een chartervlucht uit Suriname te verwijderen. Een vertrekdatum is niet bekendgemaakt.
Wat schrijft de Vreemdelingenwet voor?
De toelichting van Sanches roept de vraag op welke juridische stappen de Staat moet doorlopen voordat de betrokken families daadwerkelijk kunnen worden uitgezet.
De Vreemdelingenwet 1991 (S.B. 1992 no. 3) en het Vreemdelingenbesluit 1995 (S.B. 1995 no. 85) bevatten hiervoor verschillende bepalingen.
Artikel 24 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat vreemdelingen aan wie het niet langer is toegestaan in Suriname te verblijven, kunnen worden uitgezet. Dat betekent echter niet dat iedere persoon zonder geldige verblijfsvergunning automatisch en zonder verdere procedure kan worden verwijderd.
Op grond van artikel 25 moet de uitzetting in de daarin omschreven gevallen plaatsvinden op last van de verantwoordelijke minister of een daartoe bevoegde autoriteit. Welke instantie bevoegd is, hangt onder meer af van de reden waarom het rechtmatig verblijf is geëindigd.
Artikel 26 bepaalt bovendien dat een vreemdeling bij een uitzettingslast in beginsel een redelijke termijn moet krijgen om Suriname te verlaten. Hiervan kan worden afgeweken wanneer belangen van de openbare orde en rust, de nationale veiligheid of de volksgezondheid zich daartegen verzetten.
Ook schrijft artikel 27 voor dat uitzetting achterwege blijft wanneer verwijdering vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een gezinslid medisch onverantwoord is. Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van een erkende medicus.
Het Openbaar Ministerie van Suriname legt op zijn website uit dat de Vreemdelingendienst verantwoordelijk is voor de verdere administratieve en logistieke voorbereiding van een uitzetting. Daarbij moet onder meer worden gezorgd voor de benodigde reisdocumenten en het vervoer naar een land waar toelating van de betreffende vreemdeling gewaarborgd is.
Mogelijkheid om uitzetting aan te vechten
De wet biedt vreemdelingen onder bepaalde voorwaarden mogelijkheden om tegen beslissingen van de overheid op te komen.
Artikel 32 van de Vreemdelingenwet voorziet onder meer in de mogelijkheid om de president van de Republiek Suriname om herziening van bepaalde verblijfs- en uitzettingsbesluiten te vragen.
Voor uitzetting van personen die zonder rechtmatig verblijf in Suriname verbleven, geldt daarbij een specifieke voorwaarde. De vreemdeling moet op de dag waarop de uitzetting is gelast, gedurende ten minste drie maanden zijn hoofdverblijf in Suriname hebben gehad en in die periode aan de geldende verplichtingen tot aanmelding en kennisgeving hebben voldaan.
Artikel 33 bepaalt dat een verzoek om herziening in beginsel schriftelijk en binnen één maand na kennisneming van de betreffende beschikking moet worden ingediend.
Het indienen van een verzoek om herziening betekent niet in alle gevallen dat een uitzetting automatisch wordt opgeschort. Artikel 34 omschrijft de situaties waarin uitzetting in afwachting van een beslissing achterwege moet blijven.
Daarnaast schrijft artikel 51 van het Vreemdelingenbesluit voor dat bepaalde uitzettingsbeschikkingen gemotiveerd moeten worden en schriftelijk aan de betrokken vreemdeling moeten worden meegedeeld.
Artikel 64 van hetzelfde besluit verplicht de autoriteiten om bij beslissingen waartegen de in de wet genoemde rechtsmiddelen openstaan, de vreemdeling schriftelijk te informeren over die mogelijkheden en de daarvoor geldende termijnen.
Ook vreemdelingenbewaring kent wettelijke voorwaarden
Een ander juridisch aspect is het verblijf van de mennonieten op de locatie in Kraka, waar zij na hun verwijdering uit het Masoniagebied zijn ondergebracht.
Artikel 28 van de Vreemdelingenwet regelt onder welke omstandigheden vreemdelingen in verzekering kunnen worden gesteld. Dit kan onder meer wanneer er aanleiding bestaat om te vermoeden dat iemand zich aan een uitzetting zal onttrekken. Daarvoor is een bevel van het Openbaar Ministerie vereist.
De wet bepaalt tevens dat een vreemdeling die op deze grond in verzekering wordt gesteld, een raadsman krijgt toegewezen. Volgens artikel 36 kan de betrokken vreemdeling de kantonrechter schriftelijk verzoeken de maatregel op te heffen.
Het Vreemdelingenbesluit bevat aanvullende waarborgen. Zo bepaalt artikel 54 dat de advocaat van een in verzekering gestelde vreemdeling vrije toegang tot zijn cliënt heeft en deze onder de wettelijke voorwaarden afzonderlijk kan spreken.
Niet duidelijk is of het verblijf van alle betrokken mennonieten in Kraka juridisch als inverzekeringstelling overeenkomstig artikel 28 is aangemerkt. Evenmin is vastgesteld welke individuele beslissingen in dat verband zijn genomen.
Rechter erkent economisch belang onderneming
Sanches lichtte verder toe dat de kantonrechter het economische belang van Suriname Green Energy Agriculture N.V. wel degelijk heeft erkend. Het landbouwbedrijf voerde aan dat het door de uitzetting van de buitenlandse werknemers grote schade zou lijden aan zijn bedrijfsactiviteiten en investeringen.
Volgens de persrechter heeft de kantonrechter echter geoordeeld dat dit belang niet zwaarder weegt dan het belang van de Staat om de vreemdelingenwetgeving te handhaven.
De Staat had tijdens de behandeling aangevoerd dat de betrokken personen niet over geldige verblijfs- en werkvergunningen beschikken. Volgens de toelichting was een aanvraag voor een machtiging tot kort verblijf afgewezen, omdat de benodigde documenten niet in orde waren. De onderneming had het ontbreken van geldige verblijfsvergunningen niet weersproken.
Dat de Staat in 2022 toestemming had verleend om buitenlandse werknemers voor het landbouwproject naar Suriname te halen, betekende volgens de rechter niet dat de onderneming was vrijgesteld van het naleven van de geldende toelatingsprocedures.
Vervolg afhankelijk van Staat en juridische stappen
De uitspraak geeft de Staat ruimte om de uitzettingsprocedure voort te zetten. De rechter heeft volgens Sanches tijdens het kort geding niet vastgesteld dat de overheid bij een eventuele uitzetting in strijd met de geldende procedures zou handelen.
De wettelijke mogelijkheden voor de betrokken personen om tegen bepaalde vreemdelingenrechtelijke maatregelen op te komen, blijven echter bestaan. Of zij daarvan gebruik kunnen maken, hangt af van hun individuele situatie, de genomen besluiten en de toepasselijke wettelijke voorwaarden.
Suriname Green Energy Agriculture N.V. kan daarnaast hoger beroep instellen tegen het vonnis in het kort geding. De onderneming is ook veroordeeld tot betaling van SRD 13.005 aan proceskosten aan de Staat. Deze kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor betaling ook bij een eventueel hoger beroep kan worden verlangd.







