De staatsschuld van Suriname is volgens een analyse van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES) in negen maanden met ruim USD 700 miljoen gestegen. De VES waarschuwt dat het grootste deel van de schuld niet naar productieve sectoren gaat.
De totale binnenlandse en buitenlandse staatsschuld van Suriname is per 31 maart 2026 opgelopen tot omgerekend ongeveer USD 4,8 miljard. Dat blijkt uit een analyse in de april-editie van INZICHT, het economisch blad van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES). Volgens de VES betekent dit een forse stijging ten opzichte van juni 2025, toen de staatsschuld nog ongeveer USD 4,1 miljard bedroeg.
In Surinaamse dollars gaat het volgens de publicatie om een schuld van SRD 180,7 miljard. Dat is een toename van ongeveer SRD 26 miljard in negen maanden. De VES spreekt van een significante stijging en stelt dat de ontwikkeling vooral het gevolg is van nieuwe leningen, de uitgifte van twee global bonds en het opnemen van het Value Recovery Instrument (VRI) als commerciële schuldverplichting.
Twee nieuwe obligaties
Volgens de analyse zijn in oktober 2025 twee nieuwe obligaties uitgegeven. De eerste obligatie heeft een waarde van USD 525 miljoen, een looptijd van vijf jaar en een rente van 7,7 procent. De tweede obligatie bedraagt USD 1,050 miljard, met een looptijd van tien jaar en een rente van 8,5 procent.
Samen gaat het om USD 1,575 miljard aan nieuwe obligaties. Daarnaast meldt de VES dat in het derde kwartaal van 2025 nog USD 13 miljoen bilateraal is geleend en in het vierde kwartaal USD 37 miljoen multilateraal. In februari 2026 werd de uitstaande tienjarige obligatie met looptijd tot november 2035 verder verhoogd met USD 265 miljoen.
Volgens de VES komt het totaal dat onder de regering-Simons/Rusland is geleend daarmee uit op ongeveer USD 1,890 miljard. Daarvan zou USD 189 miljoen vrij besteedbaar zijn en worden ingezet voor sociale projecten binnen de begroting.
VRI omgezet in harde schuld
Een belangrijk onderdeel van de analyse is het Value Recovery Instrument (VRI). De VES stelt dat dit oorspronkelijk een voorwaardelijke schuld was die alleen hoefde te worden afgelost wanneer Suriname inkomsten uit olie en gas zou ontvangen. Volgens de publicatie heeft de regering deze voorwaardelijke verplichting echter omgezet in een harde commerciële schuldverplichting.
Daarna kon de schuld van ongeveer USD 373 miljoen in januari 2026 worden afgewikkeld. De VES plaatst vraagtekens bij deze keuze, omdat hiermee toekomstige olie- en gasgerelateerde verplichtingen naar voren zijn gehaald en zijn omgezet in directe commerciële schuld.
Groot deel naar lopende uitgaven
De VES maakt zich vooral zorgen over de bestemming van de geleende middelen. Volgens de publicatie is de overheidsschuld, exclusief global bonds, VRI en supplier debt, voor een groot deel toegewezen aan begrotingssteun voor lopende uitgaven. Dat aandeel bedraagt volgens de VES 44 procent.
Verder ging 19 procent naar infrastructuur, 8 procent naar energie, 8 procent naar onderwijs, 8 procent naar gezondheid en 8 procent naar drinkwatervoorziening. Slechts 2 procent zou zijn besteed aan productieve sectoren. Als de global bonds, het VRI en de supplier debt worden meegerekend, zou het aandeel voor productie volgens de VES zelfs rond 1 procent liggen.
De economenvereniging benadrukt dat tegenover elke lening eigenlijk voldoende verdiencapaciteit moet staan. Met andere woorden: geleend geld moet bij voorkeur worden ingezet voor investeringen die later inkomsten genereren, zodat de schuld ook kan worden terugbetaald. Leningen die vooral consumptieve of lopende uitgaven dekken, vergroten volgens de VES het probleem op langere termijn.
Schuldplafond blijft punt van zorg
De staatsschuld wordt in de publicatie ook afgezet tegen het schuldplafond. Dat plafond is gebaseerd op een schuld-bbp-ratio van 60 procent. Volgens de aangepaste Wet op de Staatsschuld van 17 oktober 2025 heeft de regering tot april 2029 de tijd gekregen om de ratio terug te brengen onder deze grens.
De VES stelt echter dat het terugbrengen van de schuldquote van ongeveer 130 procent naar 60 procent of minder niet vanzelf uit aflossingen zal komen. Volgens de publicatie is dat alleen haalbaar bij een forse groei van het bruto binnenlands product, onder meer door olie- en gasinkomsten in de komende jaren.
Waarschuwing voor toekomstige aflossingsdruk
Hoewel de schuldenherschikking op korte termijn rust kan brengen, waarschuwt de VES voor grote aflossingspieken in de toekomst. De publicatie noemt onder meer zogenoemde bullet payments in november 2030 en november 2035. Het zou gaan om bedragen van respectievelijk ongeveer USD 1 miljard en USD 1,3 miljard. Volgens de VES vormen deze aflossingen een risico voor toekomstige regeringen. Die kunnen bij aantreden direct worden geconfronteerd met de noodzaak om nieuwe leningen aan te gaan of opnieuw te onderhandelen over schuldherschikking.
Commerciële schuldeisers grootste categorie
De analyse geeft ook inzicht in de grootste buitenlandse schuldeisers van Suriname. Volgens de VES zijn commerciële crediteuren met ongeveer USD 1,956 miljard de grootste categorie. Binnen deze groep wordt de Bank of America genoemd als grootste schuldeiser, met ongeveer USD 1,840 miljard. Daarna volgen multilaterale schuldeisers met ongeveer USD 1,589 miljard. De Inter-American Development Bank (IDB) is binnen deze categorie de grootste, gevolgd door het IMF. De bilaterale schuldeisers vormen de derde categorie, waarbij China volgens de publicatie de grootste is.
Centrale vraag: wat levert de schuld op?
De analyse van de VES legt vooral de nadruk op de vraag wat Suriname terugkrijgt voor de oplopende schuldenlast. De stijging van de schuld is op zichzelf al zorgelijk, maar volgens de VES is vooral de bestemming van het geleende geld bepalend voor de toekomst. Als leningen vooral worden gebruikt om lopende uitgaven te dekken, schuift Suriname de rekening door naar toekomstige regeringen en generaties. Wordt geleend geld daarentegen ingezet voor productie, infrastructuur, exportcapaciteit en economische groei, dan kan schuld onderdeel zijn van ontwikkeling. De VES concludeert dat Suriname voorzichtig moet zijn met nieuwe schulden en dat tegenover elke lening een duidelijke strategie moet staan om de terugbetaalcapaciteit van het land te versterken.











