Suriname moet zich, vandaag maandag 2 november 2026 opnieuw verantwoorden tegenover de Verenigde Naties over de mensenrechtensituatie in het land. Tijdens de vorige beoordeling in 2021 ontving Suriname 147 aanbevelingen, waarvan het land er uiteindelijk 124 volledig ondersteunde.
Vijf jaar later is de vraag welke toezeggingen daadwerkelijk zijn omgezet in wetgeving, beleid en concrete verbeteringen voor burgers. Vooral de grondenrechten van Inheemse en tribale volken, de bescherming tegen geweld en het functioneren van mensenrechteninstituties blijven belangrijke aandachtspunten.
De beoordeling vindt plaats in Genève tijdens de 53ste zitting van de Universal Periodic Review (UPR), een mechanisme van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Suriname is maandag als eerste land aan de beurt, van 09.00 tot 12.30 uur plaatselijke tijd, oftewel 05.00 tot 08.30 uur in Suriname.
De Surinaamse delegatie staat onder leiding van minister Harish Monorath. Tijdens de bijeenkomst kunnen andere VN-lidstaten vragen stellen over de naleving van mensenrechten en aanbevelingen doen voor verdere verbetering.
Suriname ondersteunde 124 aanbevelingen
Bij de vorige beoordeling op 1 november 2021 ontving Suriname in totaal 147 aanbevelingen. Volgens het officiële VN-verslag over de behandeling in maart 2022 kregen 124 aanbevelingen de steun van Suriname, terwijl 22 voor kennisgeving werden aangenomen. Bij één aanbeveling werd een gedeeltelijke positie ingenomen.
De aanbevelingen hadden betrekking op uiteenlopende onderwerpen, waaronder vrouwenrechten, kinderrechten, bescherming tegen discriminatie, toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, detentieomstandigheden en de rechten van Inheemse en tribale gemeenschappen.
Het ondersteunen van een aanbeveling houdt echter niet in dat deze automatisch is uitgevoerd. Landen krijgen tijdens een volgende UPR de gelegenheid aan te tonen welke maatregelen zij hebben getroffen en welke resultaten daarmee zijn bereikt.
Grondenrechten blijven belangrijk aandachtspunt
Een van de langstlopende mensenrechtenkwesties betreft de collectieve grondenrechten van Inheemse en tribale volken.
Suriname werd in verschillende uitspraken van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens verplicht maatregelen te treffen ter bescherming van deze gemeenschappen. Het gaat onder meer om de zaken Moiwana uit 2005, Saramaka uit 2007 en Kaliña en Lokono uit 2015.
De uitvoering van deze uitspraken is volgens internationale mensenrechtenorganen nog niet volledig afgerond.
Suriname heeft gewerkt aan een wetsvoorstel voor erkenning van collectieve rechten. Ook werd op 14 oktober 2025 een protocol over vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (FPIC) aangeboden. Dit protocol moet bijdragen aan de betrokkenheid van gemeenschappen bij besluiten die hun traditionele gebieden raken.
Volgens een analyse van de voor de UPR van 2026 ingediende documenten was de wet over collectieve rechten echter nog niet aangenomen. Ook de wet uit 2017 over de bescherming van woon- en leefgebieden was volgens de aangehaalde rapportages nog niet afgekondigd.
Daarmee blijft de vraag wanneer de wettelijke erkenning en bescherming van collectieve grondenrechten daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Onafhankelijk mensenrechteninstituut nog niet gerealiseerd
Een ander terugkerend onderwerp is de oprichting van een onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut.
Internationale aanbevelingen hierover dateren al van eerdere UPR-rondes. Een dergelijk instituut moet volgens internationale normen onafhankelijk kunnen functioneren en bijdragen aan de bescherming van mensenrechten.
Suriname beschikt over een mensenrechtenbureau en heeft stappen ondernomen om de opvolging van internationale aanbevelingen te registreren.
Volgens de beschikbare documentanalyse is een volledig onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut echter nog niet operationeel. De regering heeft aangegeven te werken aan wetgeving voor de oprichting ervan.
Geweld tegen vrouwen en bescherming van kinderen
Tijdens de beoordeling in 2021 werd Suriname ook opgeroepen meer maatregelen te nemen tegen geweld tegen vrouwen en kinderen.
De aanbevelingen betroffen onder andere betere slachtofferbescherming, toegang tot opvang, effectieve vervolging van daders en versterking van de betrokken instanties.
Er zijn sindsdien programma’s en initiatieven ontwikkeld om gendergerelateerd geweld tegen te gaan. De vraag blijft welke meetbare resultaten deze maatregelen hebben opgeleverd.
Ook op het gebied van kinderrechten zijn institutionele stappen gezet. In 2025 werd het Kinderombudsinstituut ingesteld. Volgens de documentanalyse voor de UPR van 2026 was de daadwerkelijke operationele werking van het instituut echter nog niet aangetoond.
Ook vooruitgang bij internationale verdragen
Niet alle ontwikkelingen hebben uitsluitend betrekking op openstaande aanbevelingen. Suriname heeft ook concrete stappen gezet.
Zo werd de doodstraf in 2015 uit het gewone Wetboek van Strafrecht geschrapt en in 2021 ook uit het Militair Wetboek van Strafrecht.
Daarnaast trad Suriname op 16 november 2021 toe tot het VN-Verdrag tegen Foltering. Dit verdrag werd op 16 december van dat jaar voor Suriname van kracht.
De toetreding tot internationale verdragen brengt verplichtingen met zich mee voor nationale wetgeving en uitvoering. Tijdens de UPR kan daarom ook worden onderzocht in hoeverre deze verplichtingen daadwerkelijk zijn verwerkt in het Surinaamse rechtssysteem.
Verschillen tussen kustgebied en binnenland
Een ander aandachtspunt is de toegang tot basisvoorzieningen, waaronder onderwijs, gezondheidszorg en veilig drinkwater.
Internationale mensenrechtenrapportages wijzen op blijvende verschillen tussen het kustgebied en het binnenland. Vooral voor afgelegen gemeenschappen kunnen geografische omstandigheden, infrastructuur en beperkte voorzieningen de toegang tot fundamentele diensten bemoeilijken.
De Surinaamse overheid heeft op verschillende terreinen beleidsprogramma’s ontwikkeld. Voor de beoordeling is echter van belang of deze ook aantoonbaar hebben geleid tot verbeteringen in de betrokken gemeenschappen.
Suriname heeft voortgang geëvalueerd
In aanloop naar de nieuwe beoordeling heeft de nationale UPR-commissie op 10 juli 2026 een evaluatierapport aangeboden aan minister Monorath.
Volgens een bericht van de Surinaamse overheid werden daarbij onder meer het gevangeniswezen, onderwijs, gezondheidszorg en de rechten van Inheemse volken besproken.
Het rapport moet inzicht geven in de voortgang en de onderwerpen waarvoor verdere maatregelen nodig zijn.
De overhandiging van het rapport vormt een onderdeel van het evaluatieproces, maar geeft op zichzelf nog geen uitsluitsel over hoeveel van de aanbevelingen uit 2021 volledig zijn uitgevoerd.
Vandaag opnieuw verantwoording afleggen
Tijdens de vierde UPR-beoordeling zal de Surinaamse delegatie moeten toelichten welke ontwikkelingen zich sinds 2021 hebben voorgedaan.
Naast het nationale rapport worden ook bevindingen van VN-mensenrechtenorganen en bijdragen van maatschappelijke organisaties bij de beoordeling betrokken.
De nieuwe aanbevelingen worden volgens de planning van de Verenigde Naties op vrijdag 13 november 2026 binnen de UPR-werkgroep behandeld voor aanneming.
Voor Suriname gaat het daarbij niet alleen om nieuwe toezeggingen. Ook de uitvoering van eerder ondersteunde aanbevelingen blijft van belang.
De centrale vraag is hoeveel van de 124 volledig ondersteunde aanbevelingen uit 2021 inmiddels zijn uitgevoerd, welke nog openstaan en binnen welke termijn de resterende maatregelen kunnen worden gerealiseerd.
Key News en Tra Fas’ De (TFD) volgen de beoordeling vanuit Genève en besteden daarbij bijzondere aandacht aan de rechten van Inheemse en tribale gemeenschappen.







