Soms hoor je in De Nationale Assemblée een bijdrage die verder gaat dan een technische discussie over een wetsartikel. Zo’n bijdrage leverde DNA-lid Jerrel Pawiroredjo tijdens de behandeling van het wetsontwerp tot wijziging van artikel 84 van de Comptabiliteitswet 2024, op donderdag 21 mei.
Zijn centrale vraag was eenvoudig maar belangrijk: als enkele documenten ontbreken of nog niet volledig zijn uitgewerkt, waarom moet dan een belangrijk deel van de Comptabiliteitswet worden uitgesteld tot 2029?
Dat is een terechte vraag.
Pawiroredjo wees erop dat artikel 84 oorspronkelijk bedoeld was als overgangsbepaling. De wet zou formeel in werking treden, terwijl bepaalde bepalingen rond begroting en verantwoording vanaf 2026 zouden gelden. Het artikel was nooit bedoeld als een algemene opschortingsregeling voor de wet. Toch dreigt precies die indruk nu te ontstaan.
Bestuursvragen in plaats van politieke slogans
Wat vooral opviel in zijn bijdrage, was dat hij niet simpelweg kritiek leverde op het uitstelvoorstel. Hij stelde een aantal fundamentelere vragen. Welke onderdelen ontbreken precies? Waarom ontbreken zij? Welke regelgeving moet nog worden opgesteld? Welke implementatiestappen zijn sinds de aanneming van de wet daadwerkelijk gezet? En wanneer zullen deze onderdelen operationeel zijn?
Dit zijn geen gewone politieke vragen. Dit zijn bestuursvragen.
In ieder goed geleid bedrijf wordt eerst vastgesteld wat het probleem precies is voordat een compleet systeem wordt aangepast of stilgelegd. Wanneer enkele rapportages ontbreken, wordt niet automatisch het volledige financiële systeem buiten werking gesteld. Eerst wordt vastgesteld wat ontbreekt, waarom het ontbreekt en hoe dat wordt opgelost.
Waarom zou voor de overheid een andere maatstaf moeten gelden?
Nog scherper werd Pawiroredjo toen hij opmerkte dat veel van de huidige implementatieproblemen ook al bestonden onder de Comptabiliteitswet van 2019. Ook toen ontbraken uitvoeringsregelingen. Ook toen was er sprake van onvolledige implementatie. Ook toen bleef de uitvoering achter.
Zijn conclusie was pijnlijk, maar moeilijk te weerleggen: “We hebben blijkbaar weinig geleerd van het verleden.”
Verantwoordelijkheid ligt breder dan alleen bij de huidige regering
Juist daar begint het echte debat.
Dezelfde politieke actoren die vandaag uitleggen waarom onderdelen van de Comptabiliteitswet 2024 nog niet volledig uitvoerbaar zijn, waren in veel gevallen ook aanwezig toen de tekortkomingen van het vorige systeem al bekend waren.
De Comptabiliteitswet 2019 werd aangenomen, maar welke concrete voorstellen zijn daarna gedaan om de uitvoeringsproblemen op te lossen? Welke uitvoeringsregelingen zijn afgerond? Welke systemen zijn ontwikkeld? Welke opleidingen zijn opgezet? Welke deadlines zijn gehaald?
Dat zijn vragen die niet alleen aan de huidige regering mogen worden gesteld.
Ook partijen die vandaag de grootste kritiek leveren op het uitstel, zullen moeten uitleggen wat zij zelf hebben gedaan toen zij verantwoordelijkheid droegen of toen zij de gelegenheid hadden om verbeteringen af te dwingen. Dat geldt voor iedereen.
Want als een probleem in 2019 bekend was, in 2020 bekend was, in 2021 bekend was, in 2022 bekend was, in 2023 bekend was, in 2024 bekend was en in 2026 nog steeds bestaat, dan spreken we niet langer uitsluitend over een capaciteitsprobleem. Dan spreken we ook over bestuurlijke keuzes, prioriteiten en politieke verantwoordelijkheid.
Comptabiliteitswet en oliefonds horen bij elkaar
Pawiroredjo wees daarnaast op iets dat veel belangrijker is dan het op het eerste gezicht lijkt: de directe relatie tussen de Comptabiliteitswet en het Spaar- en Stabilisatiefonds.
Simpel gezegd bepaalt de Comptabiliteitswet welke informatie de regering moet geven over het geld dat uit het fonds mag worden gebruikt. De wet op het Spaar- en Stabilisatiefonds bepaalt vervolgens wanneer en waarvoor dat geld mag worden ingezet.
Die twee wetten horen dus bij elkaar.
Dat is belangrijk omdat vanaf 2028 de eerste grote olie-inkomsten worden verwacht. Als de regels voor begroting, controle en verantwoording dan nog niet goed werken, ontstaat het risico op onduidelijkheid over hoeveel geld mag worden uitgegeven, wie daarop controleert en of de olie-inkomsten wel volgens de regels worden besteed.
Juist daarom vroeg Pawiroredjo terecht naar een concreet uitvoeringsplan. Niet in algemene termen, maar heel specifiek: welke onderdelen ontbreken nog, welke regels moeten nog worden opgesteld, wanneer gebeurt dat en kan alles vóór de begroting van 2028 volledig in orde zijn?
Dat zijn vragen waarop niet alleen het parlement, maar ook de samenleving recht heeft op duidelijke antwoorden.
Capaciteitsprobleem is deels zelf gecreëerd
Wat in zijn betoog vooral aansprak, was de analyse van het onderliggende probleem. Volgens Pawiroredjo mag een gebrek aan capaciteit geen dooddoener worden. Sterker nog: een belangrijk deel van het capaciteitsprobleem hebben wij zelf gecreëerd.
Wanneer bij vrijwel iedere regeringswisseling niet alleen ministers, maar ook grote delen van de bestuurlijke top worden vervangen op basis van politieke voorkeur, gaat kennis verloren. Ervaren krachten vertrekken. Nieuwe mensen moeten opnieuw beginnen. Institutioneel geheugen verdwijnt. Processen vertragen.
Vervolgens constateren wij dat de uitvoeringscapaciteit tekortschiet. Maar die situatie is niet uit de lucht komen vallen.
Wij hebben de overheid in de afgelopen decennia steeds verder gepolitiseerd en tegelijkertijd gedeprofessionaliseerd. Zelfs functies die juist voor continuïteit moeten zorgen, zijn steeds vaker onderdeel geworden van politieke wisselingen. Daarna zijn we verbaasd dat de uitvoering achterblijft.
De discussie over artikel 84 gaat daarom uiteindelijk niet over een jaartal. Zij gaat over een veel grotere vraag: heeft Suriname werkelijk geleerd van tekortkomingen die al jaren bekend zijn?
Suriname heeft geen gebrek aan wetten, maar aan uitvoering
Het probleem van Suriname is niet dat wij te weinig wetten hebben. Wij hebben wetten. Wij hebben plannen. Wij hebben rapporten. Wij hebben aanbevelingen van deskundigen, het IMF, de Rekenkamer en talloze nationale en internationale adviseurs.
Wat te vaak ontbreekt, is consequente uitvoering.
Het is eenvoudig om een wet aan te nemen. Het is veel moeilijker ervoor te zorgen dat die wet ook daadwerkelijk werkt.
Met de olie-inkomsten van 2028 in zicht kan Suriname zich geen herhaling van oude fouten veroorloven. Niet opnieuw jaren van uitstel, ontbrekende regelgeving en half uitgevoerde hervormingen. Olie vraagt niet alleen om inkomsten. Olie vraagt om discipline, toezicht en verantwoording.
Misschien was daarom de meest veelzeggende opmerking van Pawiroredjo niet zijn juridische analyse van artikel 84, maar zijn constatering dat veel van de huidige implementatieproblemen ook onder de Comptabiliteitswet van 2019 bestonden.
“We hebben blijkbaar weinig geleerd van het verleden.”
Het is moeilijk hem daarin ongelijk te geven.
Want als dezelfde tekortkomingen die in 2019 bekend waren, in 2026 nog steeds onderwerp van debat zijn, dan ontbreekt het Suriname niet aan wetten. Dan ontbreekt het aan uitvoering, continuïteit en verantwoording.
En precies daar zal de echte test liggen wanneer in 2028 de eerste olie-inkomsten het land binnenkomen. Niet hoeveel wetten wij hebben aangenomen, maar hoeveel lessen wij daadwerkelijk hebben geleerd.
Want olie kan een land rijk maken, maar alleen goed bestuur bepaalt of ook de bevolking daarvan beter wordt.
Tra Fas’ De
In Tra Fas’ De deelt auteur Gloria Bottse haar visie op maatschappelijke, politieke en bestuurlijke vraagstukken in Suriname. De rubriek biedt ruimte voor kritische duiding, reflectie en opinie, met als doel verdieping te brengen in onderwerpen die de samenleving raken.






