De Surinaamse Orde van Advocaten waarschuwt dat voorgestelde wijzigingen rond staatsbeslagen te ver kunnen gaan. Volgens de Orde dreigen burgers en bedrijven minder mogelijkheden te krijgen om een rechterlijk vonnis tegen de Staat daadwerkelijk af te dwingen.
De Surinaamse Orde van Advocaten, SOvA, heeft ernstige bezwaren tegen onderdelen van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kritiek richt zich vooral op de verruiming van de bescherming van staatsvermogen tegen beslag en op bepalingen waardoor bestaande staatsbeslagen na vijf jaar kunnen vervallen.
Deken Elleson Fraenk zegt dat de SOvA haar bezwaren inmiddels heeft voorgelegd aan De Nationale Assemblee. De advocatenorganisatie erkent dat de Staat middelen moet kunnen beschermen die noodzakelijk zijn voor essentiële publieke taken. Daarbij kan worden gedacht aan geld voor salarissen, onderwijs, gezondheidszorg en andere onderdelen van de openbare dienstverlening.
Volgens de Orde ontstaat het probleem wanneer die bescherming zo ruim wordt dat burgers en ondernemingen die een rechtszaak tegen de Staat winnen, nauwelijks nog mogelijkheden hebben om hun geld daadwerkelijk te innen. Fraenk stelt dat het nieuwe voorstel verder gaat dan de huidige bescherming en ook staatsvermogen uit onder meer de mijnbouwsector verder tegen beslag wil afschermen.
Staatsbeslagen mogen rechtsbescherming niet uithollen
De kern van de kritiek van de SOvA is niet dat staatsmiddelen helemaal niet beschermd zouden mogen worden. De Orde vindt dat er een evenwicht nodig is tussen het publieke belang en het recht van een schuldeiser om een toegewezen vordering te innen. Wanneer de Staat een verplichting niet nakomt en een rechter een burger of bedrijf uiteindelijk in het gelijk stelt, moet die uitspraak volgens de advocaten ook praktisch uitvoerbaar zijn.
Fraenk wijst erop dat een vonnis weinig betekenis heeft wanneer de partij die wint vervolgens geen reële mogelijkheid heeft om betaling af te dwingen. Volgens de SOvA raakt een te ruime bescherming tegen staatsbeslagen rechtstreeks aan effectieve rechtsbescherming. Niet alleen toegang tot de rechter telt, maar ook de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de uitspraak.
Een rechterlijk vonnis moet niet alleen op papier bestaan, maar ook daadwerkelijk uitgevoerd kunnen worden.
Vijfjaarstermijn voor beslag stuit op kritiek
Een tweede belangrijk bezwaar betreft de voorgestelde regeling voor bestaande beslagen. Volgens de SOvA kan het problematisch zijn wanneer een beslag na vijf jaar automatisch of van rechtswege vervalt. Civiele procedures in Suriname kunnen lang duren, onder meer vanwege de werkdruk en beperkte capaciteit binnen de rechterlijke macht.
Daardoor kan zich volgens de Orde een situatie voordoen waarin een beslag vervalt terwijl de zaak zelf nog niet definitief is afgerond. Een schuldeiser kan tijdens een lopende procedure dan een belangrijk middel verliezen waarmee later betaling kan worden afgedwongen.
SOvA wil beoordeling per individuele zaak
De Orde pleit niet voor staatsbeslagen die onbeperkt moeten blijven bestaan. Volgens Fraenk moet echter per geval kunnen worden beoordeeld of een beslag nog noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Een algemene regeling waarbij oude beslagen zonder inhoudelijke beoordeling verdwijnen, doet volgens hem onvoldoende recht aan de verschillen tussen individuele procedures.
Fraenk vindt daarom dat niet met één algemene wettelijke ingreep bestaande rechtsposities moeten worden beëindigd. Vooral wanneer een burger of onderneming al jarenlang procedeert, kan het vervallen van een beslag grote gevolgen hebben voor de uiteindelijke mogelijkheid om een toegekende vordering daadwerkelijk te innen.
Staat moet betrouwbare contractspartner blijven
De discussie over staatsbeslagen raakt volgens de SOvA ook aan de positie van de Staat als contractspartner. Suriname staat aan de vooravond van belangrijke ontwikkelingen in de olie en gassector, terwijl ook in de mijnbouw en infrastructuur grote overeenkomsten met bedrijven en investeerders worden gesloten. Rechtszekerheid speelt daarbij een belangrijke rol.
Wanneer ondernemingen het risico lopen dat zij na een gewonnen rechtszaak hun vordering op de Staat niet of nauwelijks kunnen innen, kan dat volgens de Orde het vertrouwen in de overheid schaden. Dat kan gevolgen hebben voor de bereidheid om contracten met de Staat aan te gaan en voor de voorwaarden die bedrijven daarbij stellen.
Bredere discussie over Surinaamse rechtsstaat
Ook organisaties uit het bedrijfsleven hebben de afgelopen periode aandacht gevraagd voor de positie van de rechtsstaat en de manier waarop belangrijke hervormingen worden voorbereid. Key News berichtte eerder dat ondernemers en maatschappelijke organisaties waarschuwen tegen eenzijdige besluitvorming rond de rechtspraak.
De bezwaren tegen de regeling rond staatsbeslagen staan daarmee niet volledig op zichzelf. Er wordt breder gediscussieerd over hervormingen binnen de rechterlijke macht, de onafhankelijkheid van juridische instituten en de vraag hoe wetgeving die de rechtspositie van burgers raakt tot stand moet komen.
Parlement vraagt input over wetsvoorstel
De ontwerpwet is momenteel in behandeling bij De Nationale Assemblee. Uit informatie van De Nationale Assemblee blijkt dat de Commissie van Rapporteurs zich op 21 augustus over het verdere traject heeft gebogen. Bij de behandeling worden verschillende belanghebbenden betrokken.
Daaronder bevinden zich vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, advocatuur, gerechtsdeurwaarders, relevante overheidsinstanties, de financiële sector en juridische deskundigen. Hun input moet worden meegenomen in het verdere wetgevingstraject. Er is daardoor nog ruimte om onderdelen van het voorstel aan te passen voordat het parlement tot definitieve behandeling overgaat.
Zorgvuldige behandeling staatsbeslagen noodzakelijk
De SOvA vindt die zorgvuldigheid noodzakelijk. Vooral bij wetgeving die rechtstreeks raakt aan de mogelijkheid van burgers en ondernemingen om rechten tegenover de Staat af te dwingen, moet volgens de Orde worden voorkomen dat bescherming van overheidsmiddelen leidt tot een te sterke beperking van individuele rechtsbescherming.
De discussie over staatsbeslagen gaat daarmee verder dan een technische wijziging van het procesrecht. De centrale vraag is hoeveel bescherming de Staat zichzelf mag geven zonder dat een burger of onderneming die na jaren procederen gelijk krijgt, uiteindelijk met een vonnis blijft zitten dat praktisch niet kan worden uitgevoerd.







