De Vereniging van Economisten in Suriname waarschuwt dat geleend geld onvoldoende wordt ingezet om de productieve sectoren te versterken. Volgens de VES gaat het grootste deel van de overheidsschuld naar begrotingssteun en lopende uitgaven.
De Vereniging van Economisten in Suriname (VES) maakt zich zorgen over de manier waarop geleend geld door de overheid wordt besteed. In de april-editie van INZICHT, het economisch blad van de VES, wordt gesteld dat een groot deel van de overheidsschuld niet terechtkomt in sectoren die de economie op termijn sterker kunnen maken.
Volgens de VES blijkt uit gegevens van het Bureau voor de Staatsschuld dat de overheidsschuld, exclusief de global bonds, het Value Recovery Instrument en supplier debt, per eind 2025 vooral is toegewezen aan begrotingssteun voor lopende uitgaven. Dat aandeel bedraagt volgens de publicatie 44 procent.
Daarmee komt bijna de helft van de onderzochte schuld terecht in uitgaven die vooral bedoeld zijn om de overheid draaiende te houden. De VES plaatst daar kritische kanttekeningen bij, omdat leningen volgens de economenvereniging juist moeten bijdragen aan het vergroten van de verdiencapaciteit van het land.
Productieve sector krijgt slechts klein aandeel
Uit de analyse blijkt verder dat 19 procent van de schuld is besteed aan infrastructuur. Voor energie, onderwijs, gezondheid en drinkwatervoorziening gaat het telkens om 8 procent. De productieve sectoren krijgen volgens de VES slechts 2 procent van de middelen. Wanneer de global bonds, het Value Recovery Instrument en supplier debt worden meegerekend, zou het aandeel voor productie zelfs dalen tot ongeveer 1 procent.
Juist dat lage aandeel voor productie is volgens de VES problematisch. Productieve sectoren, zoals landbouw, industrie, exportgerichte bedrijvigheid, toerisme, verwerking en andere economische activiteiten, moeten uiteindelijk zorgen voor meer inkomsten, werkgelegenheid en deviezen. Wanneer daar nauwelijks geleend geld naartoe gaat, blijft de vraag hoe Suriname de oplopende schuld in de toekomst duurzaam zal terugbetalen.
De VES stelt dat tegenover elke lening een zekere verdiencapaciteit moet worden opgebouwd. Met andere woorden: als de overheid schulden maakt, moet duidelijk zijn hoe die investering later economische groei of extra inkomsten oplevert.
Lenen voor consumptie vergroot probleem
Volgens de economenvereniging hebben leningen die vooral worden gebruikt om consumptieve behoeften of lopende uitgaven van opeenvolgende regeringen te dekken, het schuldenprobleem alleen maar groter gemaakt.
Daarmee raakt de VES aan een terugkerend probleem in de Surinaamse overheidsfinanciën. De staat leent geld, maar een belangrijk deel daarvan wordt niet direct ingezet voor economische transformatie. Salarissen, subsidies, dagelijkse overheidsuitgaven en begrotingssteun kunnen op korte termijn noodzakelijk zijn, maar leveren niet automatisch nieuwe inkomsten op waarmee schulden later kunnen worden afgelost.
Vooral in een land met een beperkte productiebasis en een sterke afhankelijkheid van import en grondstoffeninkomsten kan dat op lange termijn risicovol zijn. Wanneer geleend geld onvoldoende wordt omgezet in productie, export, belastinginkomsten en duurzame bedrijvigheid, schuift de overheid de rekening door naar toekomstige regeringen en generaties.
Vraag over economische opbrengst
De recente schuldenherschikking heeft volgens de VES geleid tot een forse toename van de schuld met ongeveer USD 700 miljoen, waarvan slechts USD 189 miljoen nog beschikbaar zou zijn. De publicatie stelt dat onduidelijk is welk deel van deze middelen daadwerkelijk zal bijdragen aan het vergroten van de verdiencapaciteit van het land.
Die vraag is volgens de VES essentieel. Niet elke schuld is per definitie slecht. Een overheid kan verantwoord lenen wanneer het geld wordt geïnvesteerd in wegen, havens, energievoorziening, onderwijs, landbouw, gezondheidszorg of andere sectoren die de productiviteit verhogen. Maar wanneer leningen vooral gaten in de begroting dichten, ontstaat er een structureel probleem.
Dan betaalt het land rente en aflossing over geld dat al is uitgegeven, zonder dat daar voldoende nieuwe economische activiteit tegenover staat.
Meer begrotingsdiscipline nodig
De waarschuwing van de VES komt op een moment waarop Suriname opnieuw voor grote financiële keuzes staat. De staatsschuld is fors gestegen en de komende jaren moet de regering aantonen dat de schuldpositie beheersbaar blijft. Tegelijkertijd wordt gerekend op toekomstige olie- en gasinkomsten, die volgens velen ruimte kunnen bieden voor ontwikkeling.
De VES lijkt echter te waarschuwen voor te veel optimisme. Toekomstige inkomsten uit olie en gas kunnen alleen structureel voordeel opleveren als de overheid nu al duidelijke keuzes maakt over besteding, transparantie en begrotingsdiscipline. Zonder versterking van de productieve sector kan nieuwe rijkdom opnieuw worden opgeslokt door lopende uitgaven, politieke druk en oude schulden.
Centrale waarschuwing
De kern van de VES-analyse is dat Suriname niet alleen moet kijken naar de omvang van de staatsschuld, maar vooral naar de bestemming van het geleende geld. De vraag is niet alleen hoeveel de overheid leent, maar vooral waarvoor.
Als geleend geld wordt gebruikt om economische waarde te creëren, kan schuld onderdeel zijn van ontwikkeling. Als het vooral wordt gebruikt om lopende uitgaven te financieren, groeit het risico dat Suriname in de toekomst opnieuw moet lenen om oude schulden af te lossen.
Volgens de VES moet daarom bij elke nieuwe lening duidelijk zijn welke sector wordt versterkt, welke inkomsten daaruit worden verwacht en hoe de terugbetaling op termijn wordt gegarandeerd.











