Inheemse organisaties verzetten zich opnieuw tegen de Wet Bescherming Woon en Leefgebieden . Zowel VIDS als het Inheems Kollektief Suriname stelt dat tijdelijke bescherming rond dorpen geen vervanging kan zijn voor erkenning van collectieve grondenrechten.
De Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname, VIDS, heeft opnieuw formeel bezwaar gemaakt tegen afkondiging van de Wet Bescherming Woon en Leefgebieden. Het Traditioneel Gezag kwam op 28 en 29 augustus 2026 in Paramaribo bijeen en concludeerde na overleg dat de wet volgens de dorpshoofden onvoldoende bescherming biedt. De resolutie is inmiddels aan het Kabinet van de President aangeboden.
Die opstelling sluit nauw aan bij de boodschap die het Inheems Kollektief Suriname, IKSur, op 9 augustus naar buiten bracht. Ook IKSur stelt dat bescherming van een beperkt gebied rond een dorp het fundamentele vraagstuk niet oplost. De organisatie vraagt om wettelijke erkenning, afbakening en bescherming van de volledige traditionele gebieden.
De regering kijkt anders naar de functie van de wet. Volgens het Kabinet van de President is de regeling bedoeld als tijdelijke bescherming totdat definitieve wetgeving over grondenrechten tot stand komt. Binnen een straal van vijf kilometer rond dorpskernen zouden onder meer nieuwe houtkap, goud, zandwinning, mijnbouw en grootschalige landbouwconcessies niet mogen worden verstrekt. De regering heeft benadrukt dat de maatregel het grondenrechtenvraagstuk niet moet vervangen.
Wet Bescherming Woon en Leefgebieden volgens organisaties onvoldoende
Voor VIDS en IKSur zit een belangrijk probleem juist in die geografische beperking. Traditionele leefgebieden houden volgens beide organisaties niet op enkele kilometers buiten een dorpskern op. Gemeenschappen gebruiken bossen, rivieren en andere gebieden voor jacht, visserij, landbouw, medicinale planten en culturele activiteiten. VIDS merkt bovendien op dat gemeenschappen hun traditionele gebieden al in kaart hebben gebracht, maar dat die kaarten volgens de organisatie niet voldoende zijn meegenomen.
VIDS verwijst in haar jongste resolutie naar beschermingszones van vijf of tien kilometer en waarschuwt dat deze niet overeenkomen met de gebieden die gemeenschappen historisch gebruiken. IKSur stelde eerder eveneens dat bescherming binnen vijf kilometer niet gelijkgesteld kan worden aan erkenning van een traditioneel grondgebied. Ook in eerdere berichtgeving van Key News over de Wet Bescherming Woon en Leefgebieden werd deze tegenstelling zichtbaar.
Collectieve rechten tegenover domeingrond
Een fundamenteler bezwaar betreft de juridische status van de grond. VIDS stelt dat de voorouderlijke gebieden van Inheemse volken niet als gewone domeingrond mogen worden behandeld. Volgens de organisatie hebben de oorspronkelijke volken collectieve eigendomsrechten op hun traditionele gebieden en moet de Surinaamse wetgeving daarmee in overeenstemming worden gebracht.
Beide organisaties vrezen dat de tijdelijke regeling juist een situatie kan bestendigen waarin de staat juridisch eigenaar blijft, terwijl Inheemse gemeenschappen slechts beperkte bescherming krijgen. VIDS voert daarbij aan dat rechten van derden die eerder zijn uitgegeven onder voorwaarden kunnen blijven bestaan. Dat zou volgens de organisatie betekenen dat bepaalde bestaande rechten sterker worden beschermd dan de nog niet wettelijk erkende collectieve rechten van de oorspronkelijke bewoners.
Bescherming zonder erkenning lost volgens de organisaties het grondenrechtenvraagstuk niet op.
Onbekend Staatsbesluit roept nieuwe vragen op
VIDS heeft daarnaast bezwaar tegen het feit dat de uiteindelijke vaststelling van gebieden via een Staatsbesluit moet plaatsvinden. De organisatie zegt dat zij de inhoud daarvan heeft opgevraagd, maar die niet kent. Volgens het Traditioneel Gezag kan daarom niet van de gemeenschappen worden verwacht dat zij instemmen met een regeling waarvan een belangrijk uitvoeringsonderdeel nog niet inzichtelijk is.
Ook over controle en handhaving bestaan zorgen. VIDS wijst op eerdere gronduitgiften en stelt dat een wettelijke beschermingszone weinig betekenis heeft wanneer effectieve controle ontbreekt. De organisatie vreest bovendien dat het systeem Inheemse gemeenschappen feitelijk binnen kleine gebieden vastzet, terwijl grond buiten de vastgestelde zones beschikbaar blijft voor andere activiteiten.
FPIC en Kaliña Lokono centraal in verzet
Een andere overeenkomst tussen beide verklaringen is de nadruk op Free, Prior and Informed Consent, oftewel vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming. Volgens IKSur zijn Inheemse gemeenschappen onvoldoende op betekenisvolle wijze betrokken bij de totstandkoming van de regeling. VIDS stelt eveneens dat het noemen van FPIC in de wet onvoldoende is wanneer het principe volgens haar bij het proces rond de wet zelf niet volledig is toegepast.
De organisaties verwijzen daarnaast nadrukkelijk naar het Kaliña en Lokono vonnis van het Inter Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens uit 2015. De zaak had onder meer betrekking op de juridische erkenning van de collectieve persoonlijkheid en het recht op collectief eigendom van traditioneel grondgebied. De documenten over de zaak zijn beschikbaar via het Inter Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens. ([Inter-American Court of Human Rights][2])
Milieu en positie van grondverdedigers
VIDS verbindt de discussie ook met milieuproblemen. De organisatie verwijst in haar resolutie onder meer naar de situatie rond de Saramaccarivier en Lawarivier en stelt dat activiteiten buiten een beschermingszone alsnog gevolgen kunnen hebben voor gemeenschappen binnen die zone. Daarom is volgens VIDS niet alleen de afstand tot een dorpskern belangrijk, maar ook bescherming tegen activiteiten die elders plaatsvinden en rivieren, bossen of ecosystemen beïnvloeden.
IKSur trekt de discussie verder door naar de positie van Inheemse grondverdedigers. De organisatie stelt dat personen die voor hun grond en leefomgeving opkomen worden vervolgd en veroordeeld, terwijl de wettelijke erkenning van de collectieve rechten volgens haar nog altijd tekortschiet. IKSur vraagt daarom niet alleen om opschorting of intrekking van de wet, maar ook om daadwerkelijke toepassing van internationale mensenrechtennormen.
Tijdelijke bescherming botst met volledige erkenning
De combinatie van beide standpunten laat zien dat de discussie inmiddels verder gaat dan alleen de vraag of vijf kilometer voldoende is. De kern van het conflict ligt bij de vraag welke juridische status de traditionele gebieden uiteindelijk krijgen. De regering ziet de wet als een tijdelijke rem op nieuwe concessies. De Inheemse organisaties vrezen dat zo een tijdelijke oplossing juist een zwakkere rechtspositie kan vastleggen.
VIDS vraagt president Jennifer Simons daarom nadrukkelijk om de wet niet af te kondigen. IKSur had eerder opgeroepen de regeling in te trekken of op te schorten en eerst te werken aan volledige erkenning van de collectieve rechten. Beide organisaties zeggen vreedzame dialoog en juridische oplossingen te willen, maar maken duidelijk dat zij geen regeling zullen ondersteunen die volgens hen neerkomt op achteruitgang van bestaande internationaal erkende rechten.
Met de overhandiging van de VIDS resoluties ligt het vraagstuk nu opnieuw nadrukkelijk bij de regering. Het Kabinet van de President heeft bevestigd dat de documenten zijn ontvangen. ([Government of Suriname][3]) De volgende politieke vraag is of president Simons doorgaat met afkondiging van de Wet Bescherming Woon en Leefgebieden, de regeling opnieuw laat aanpassen of eerst opnieuw met het Traditioneel Gezag om de tafel gaat.







